JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2025:6364Laag28/100

Scheepswerf wint hoger beroep over dwangsom afmeren vaartuigen

ECLI:NL:RVS:2025:6364, Raad van State, 24-12-2025, 202204305/1/R4

Raad van StateUitspraak: 24 december 2025Publicatie: 24 december 2025
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202204305/1/R4
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Handhaving
Vergunningen
Transport
Ruimtelijke Ordening
Omgevingswet Overgangsrecht
Bestemmingsplan
Last Onder Dwangsom
Afmeren Vaartuigen
Scheepswerf

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 30 oktober 2018 heeft het college de Scheepswerf onder oplegging van een dwangsom gelast het afmeren van vaartuigen op de locatie aan de meerpalen in het water bij De Bol in Heerewaarden, kadastraal bekend gemeente Heerewaarden, Sectie C, nummer 1451, te beëindigen en beëindigd te houden. De scheepswerf drijft een scheepswerf bij en in de rivier de Maas in Heerewaarden. Bij controles op 29 mei 2018 en 3 september 2018 is door een toezichthouder geconstateerd dat in het water bij De Bol respectievelijk een zandschip en een ponton lagen afgemeerd. Volgens het college is het gebruik, bestaande uit het afmeren van vaartuigen op de locatie aan de meerpalen in het water bij De Bol, in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied, Buitendijkse deel". Volgens het college is daarmee artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo overtreden. Het college heeft de Scheepswerf daarom onder oplegging van een dwangsom gelast het strijdig gebruik te beëindigen en beëindigd te houden.

Kern van de zaak

Het college van B&W van Maasdriel legde in 2018 een last onder dwangsom op aan Holding Scheepswerf Heerewaarden B.V. wegens vermeend strijdig gebruik van gronden bij de rivier de Maas in Heerewaarden. Het afmeren van een zandschip en een ponton bij de meerpalen op locatie De Bol zou in strijd zijn met het bestemmingsplan 'Buitengebied, Buitendijkse deel'. De scheepswerf en andere partijen gingen in hoger beroep.

Beslissing van de rechter

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep van Holding Scheepswerf Heerewaarden B.V. gegrond en bevestigt de aangevallen uitspraak, waarbij het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.768,41. Het hoger beroep van appellant A is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang, en de hoger beroepen van het college en appellant B zijn ongegrond verklaard.

28van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een casuïstische handhavingszaak op lokaal niveau waarbij het overgangsrecht routinematig wordt toegepast en geen nieuwe rechtsvragen worden beantwoord. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking buiten de specifieke situatie van deze scheepswerf.

Belangrijkste punten

  • 1Op de opgelegde last onder dwangsom van vóór 1 januari 2024 blijft het oude recht (Wabo) van toepassing op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet.
  • 2Het afmeren van vaartuigen (zandschip en ponton) bij meerpalen op locatie De Bol werd door het college aangemerkt als strijdig gebruik ex artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo.
  • 3Het hoger beroep van appellant A werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende belang bij inhoudelijke behandeling.
  • 4Het hoger beroep van de scheepswerf (Holding Scheepswerf Heerewaarden B.V.) werd gegrond verklaard, met proceskosten ten laste van het college.
  • 5De hoger beroepen van zowel het college als appellant B werden ongegrond verklaard, waarmee de uitkomst van de rechtbank in stand bleef.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak illustreert de toepassing van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet: lasten onder dwangsom opgelegd vóór 1 januari 2024 worden volledig beheerst door het oude Wabo-regime. De beslissing bevestigt voorts de strikte toets aan bestemmingsplanbepalingen bij het afmeren van vaartuigen in buitendijks gebied.

Praktische impact

De scheepswerf ontvangt een proceskostenvergoeding van ruim €2.768 van de gemeente Maasdriel. De uitkomst van de procedure bij de rechtbank blijft in stand, wat betekent dat de rechtspositie van de scheepswerf ten aanzien van de dwangsom door de hogerberoepsprocedure is verduidelijkt.

Onderwerp-impact

Voor bedrijven die activiteiten ontplooien in buitendijks gebied langs rivieren benadrukt deze uitspraak het belang van planologische toestemming voor het afmeren van vaartuigen. Scheepswerven en andere watergebonden bedrijven dienen zorgvuldig te toetsen of hun gebruik in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan.

Samenvatting

Deze zaak betreft een handhavingsgeschil tussen het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel en Holding Scheepswerf Heerewaarden B.V. over het afmeren van vaartuigen in de rivier de Maas bij Heerewaarden. Na controles in mei en september 2018 constateerde een toezichthouder dat een zandschip respectievelijk een ponton lagen afgemeerd bij meerpalen op locatie De Bol, hetgeen het college aanmerkte als strijdig gebruik met het bestemmingsplan 'Buitengebied, Buitendijkse deel'. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo legde het college op 30 oktober 2018 een last onder dwangsom op aan de scheepswerf. In hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State speelde allereerst de vraag welk recht van toepassing is na de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude Wabo-regime van toepassing op lasten onder dwangsom die vóór die datum zijn opgelegd, zolang de last niet volledig is uitgevoerd, de dwangsom niet volledig is verbeurd en betaald, of de last niet is opgeheven. De Afdeling verklaart het hoger beroep van appellant A niet-ontvankelijk bij gebrek aan voldoende belang bij inhoudelijke behandeling. De hoger beroepen van het college en appellant B worden ongegrond verklaard. Het hoger beroep van Holding Scheepswerf Heerewaarden B.V. wordt echter gegrond verklaard, waarbij de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het college wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €2.768,41 aan de scheepswerf, waarvan €2.721 is toe te rekenen aan rechtsbijstand door een derde. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking en is primair relevant voor vergelijkbare handhavingszaken in buitendijks gebied langs Nederlandse rivieren.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 18 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02999

Hoge Raad17 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1296Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1296, Hoge Raad, 17-07-2026, 23/03413

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1288Hoog
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1288, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/01208

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
68/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied