Rijinstructeur kan onvoldoende bijscholingsexamen niet aanvechten
ECLI:NL:RVS:2025:6351, Raad van State, 24-12-2025, 202407826/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 5 juni 2023 heeft de stichting VAM aan [appellant] de beoordeling toegekend van een onvoldoende in het kader van zijn bijscholingsverplichting. [appellant] had als rijinstructeur een certificaat voor het geven van rijonderricht, dat is verlopen in juni 2023. Het certificaat kan worden verlengd als is voldaan aan de bijscholingsverplichting als bedoeld in artikel 12b van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 en artikel 13 van die wet. [appellant] heeft hiervoor op 5 juni 2023 een (tweede) praktisch examen ‘Instructie geven en Coachen’ afgelegd. De examinator van de stichting VAM heeft hem beoordeeld met een onvoldoende. [appellant] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Kern van de zaak
Een rijinstructeur ontving een onvoldoende voor zijn praktisch bijscholingsexamen bij stichting VAM, waardoor zijn certificaat niet verlengd kon worden. Hij maakte bezwaar, maar stichting VAM verklaarde dit niet-ontvankelijk op grond van de Awb-uitzondering voor kennis- en vaardigheidsbeoordelingen. De rijinstructeur stapte hierop naar de rechtbank en vervolgens in hoger beroep bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Raad van State heeft het hoger beroep ongegrond verklaard. De doorslaggevende reden is dat artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb uitdrukkelijk bepaalt dat geen bezwaar noch beroep openstaat tegen besluiten die een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat inhouden, hetgeen hier van toepassing is op de examenbeoordeling 'onvoldoende'.
Impactscore
LaagDe uitspraak past een bekende en vaste Awb-uitzondering toe zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de impact is beperkt tot de specifieke sector van rijonderricht en betreft een bevestiging van reeds geldend recht.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 8:4 lid 3 sub b Awb sluit bezwaar én beroep uit tegen beoordelingen van kennis en vaardigheden bij examens
- 2De examenbeoordeling 'onvoldoende' door stichting VAM kwalificeert als een beoordeling van het kennen of kunnen in de zin van de Awb-uitzondering
- 3Stichting VAM mocht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren en heeft terecht afgezien van het horen van appellant (artikel 7:3 Awb)
- 4Het verlopen certificaat voor rijonderricht kon niet worden verlengd omdat niet voldaan was aan de bijscholingsverplichting van artikel 12b en 13 Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993
- 5De rechtbank en de Raad van State bevestigen beiden dat de wettelijke uitsluiting van rechtsbescherming bij examenbeoordelingen van toepassing is
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste toepassing van artikel 8:4 lid 3 sub b Awb: beoordelingen van kennen en kunnen bij examens zijn uitgesloten van bezwaar en beroep, ook in het kader van beroepscertificering door privaatrechtelijke stichtingen met publiekrechtelijke taken. Dit biedt weinig nieuwe rechtsontwikkeling maar consolideert bestaand recht.
Praktische impact
Voor rijinstructeurs betekent dit dat een onvoldoende op een verplicht bijscholingsexamen in beginsel niet via bestuursrechtelijke weg aangevochten kan worden, waardoor het verlies van het certificaat en daarmee de bevoegdheid om rijonderricht te geven een definitief gevolg kan zijn zonder rechtsmiddel.
Onderwerp-impact
Binnen het rijonderricht en de beroepscertificering bevestigt deze uitspraak dat examenbeherende instanties zoals stichting VAM hun beoordelingen buiten het bereik van bestuursrechtelijke rechtsbescherming kunnen houden, wat de positie van gecertificeerde beroepsbeoefenaren verzwakt bij geschillen over examenuitslag.
Samenvatting
In deze zaak stond de vraag centraal of een rijinstructeur bestuursrechtelijk bezwaar en beroep kon instellen tegen een examenbeoordeling 'onvoldoende' die hem door stichting VAM was toegekend in het kader van zijn verplichte bijscholing. Zonder een voldoende beoordeling kon zijn certificaat voor het geven van rijonderricht niet worden verlengd, wat directe gevolgen had voor zijn beroepsuitoefening. De rijinstructeur had op 5 juni 2023 een tweede praktisch examen 'Instructie geven en Coachen' afgelegd en daarvoor een onvoldoende gekregen. Zijn bezwaar daartegen werd door stichting VAM niet-ontvankelijk verklaard, waarbij de stichting zich beriep op artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht. Deze bepaling sluit bezwaar én beroep uitdrukkelijk uit tegen besluiten die een beoordeling inhouden van het kennen of kunnen van een kandidaat die is geëxamineerd of op andere wijze getoetst. Stichting VAM zag ook af van het horen van appellant, omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was op grond van artikel 7:3 Awb. De rechtbank verklaarde het beroep van de rijinstructeur ongegrond. In hoger beroep bij de Raad van State werd dit oordeel bevestigd. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de examenbeoordeling van 5 juni 2023 onmiskenbaar valt onder de wettelijke uitzondering van artikel 8:4 lid 3 sub b Awb, zodat geen bezwaar of beroep openstond. De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar was dan ook terecht. De uitspraak is juridisch niet vernieuwend, maar illustreert de harde grens van bestuursrechtelijke rechtsbescherming bij examenbeoordelingen in het kader van beroepscertificering, ook wanneer deze beoordelingen ingrijpende gevolgen hebben voor de beroepsuitoefening van betrokkenen.