Raad van State wijst compensatie toeslagenaffaire af voor gedupeerde
ECLI:NL:RVS:2025:6319, Raad van State, 24-12-2025, 202407750/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 12 april 2022 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd om [appellante] te compenseren voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2010. Bij besluit van 12 april 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] een tegemoetkoming van € 7.855,00 toegekend voor de onterechte kwalificatie opzet of grove schuld. [appellante] is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft op 8 oktober 2020 een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag aangevraagd. Op 1 april 2021 heeft zij op grond van de zogenoemde Catshuisregeling een bedrag van € 30.000,00 toegekend gekregen, omdat in het verleden niet is meegewerkt aan een betalingsregeling of schuldsanering. Zij werd over de toeslagjaren 2007 tot en met 2010 ten onrechte beticht van opzet en/of grove schuld. De Dienst Toeslagen heeft vervolgens onder verwijzing naar het advies van de Commissie van Wijzen op 12 april 2022 geweigerd compensatie toe te kennen voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2010, omdat bij de beoordeling van haar situatie in het verleden geen fouten zijn gemaakt.
Kern van de zaak
Een gedupeerde van de toeslagenaffaire vroeg compensatie aan voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2010. De Dienst Toeslagen weigerde aanvullende compensatie bovenop het al ontvangen bedrag van €30.000 op grond van de Catshuisregeling. Appellante bestreed dit besluit bij de rechtbank en vervolgens bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt (op basis van de beschikbare tekst) het oordeel van de rechtbank dat de compensatieaanvraag voor de jaren 2006-2010 terecht is afgewezen. De doorslaggevende reden is dat appellante zelf wist dat zij geen recht had op kinderopvangtoeslag in die jaren omdat zij geen kinderopvang afnam, en dat bij de vaststelling niet met vooringenomenheid is gehandeld.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een individuele zaak binnen het grote toeslagenaffaire-dossier en bevestigt bestaande kaders rondom de herstelprocedures. Er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld, maar de zaak heeft maatschappelijke relevantie vanwege de omvang van de toeslagenaffaire.
Belangrijkste punten
- 1Appellante is gedupeerde van de toeslagenaffaire en ontving reeds €30.000 via de Catshuisregeling wegens ten onrechte beschuldiging van opzet/grove schuld over 2007-2010.
- 2De aanvullende tegemoetkoming voor opzet/grove schuld bedraagt slechts €7.855, hetgeen lager is dan het reeds ontvangen bedrag; er is dus geen extra uitbetaling.
- 3Compensatie voor toeslagjaren 2006-2010 wordt geweigerd omdat de Commissie van Wijzen geen fouten heeft vastgesteld in de eerdere beoordeling.
- 4Appellante wist zelf dat zij geen recht had op kinderopvangtoeslag in de betrokken jaren, nu zij geen kinderopvang afnam; de verrekening verliep op gebruikelijke wijze.
- 5Een bijzondere of schrijnende situatie die een 'onbillijkheid van overwegende aard' oplevert is niet aangetoond, waardoor er geen grond is voor extra compensatie.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat ook binnen de toeslagenaffaire-herstelprocedure het uitgangspunt geldt dat compensatie afhangt van aantoonbare fouten door de Dienst Toeslagen, en dat bekendheid van de aanvrager met de onrechtmatigheid van de toeslag een relevante omstandigheid is. De drempel voor het aantonen van een 'onbillijkheid van overwegende aard' blijft hoog.
Praktische impact
Voor appellante betekent de uitspraak dat zij geen verdere financiële compensatie ontvangt bovenop de reeds ontvangen €30.000, en dat het reeds ontvangen bedrag niet hoeft te worden terugbetaald. Gedupeerden in vergelijkbare situaties waarbij zij zelf op de hoogte waren van de onterechte toeslag kunnen aan deze uitspraak zien dat die wetenschap hun compensatiepositie verzwakt.
Onderwerp-impact
De uitspraak heeft betekenis voor de bredere afwikkeling van de toeslagenaffaire, doordat zij verduidelijkt dat de herstelregelingen niet automatisch leiden tot compensatie wanneer de gedupeerde zelf bewust geen recht had op de toeslag. Dit kan de verwachtingen van vergelijkbare aanvragers bijstellen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een gedupeerde van de toeslagenaffaire die in 2020 een herbeoordeling aanvroeg van haar kinderopvangtoeslag over de jaren 2006 tot en met 2010. Op grond van de Catshuisregeling had zij reeds €30.000 ontvangen, omdat zij over de toeslagjaren 2007-2010 ten onrechte was beschuldigd van opzet of grove schuld. De Dienst Toeslagen weigerde echter aanvullende compensatie voor de toeslagjaren 2006-2010, omdat uit het advies van de Commissie van Wijzen bleek dat bij de beoordeling van haar situatie in het verleden geen fouten waren gemaakt. Tevens werd vastgesteld dat de aanvullende tegemoetkoming voor opzet/grove schuld slechts €7.855 bedroeg, een bedrag dat lager is dan het reeds ontvangen en te behouden bedrag van €30.000. De bezwaren van appellante werden ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde deze beslissing. Zij oordeelde dat geen sprake was van vooringenomenheid bij de vaststelling van de kinderopvangtoeslag over de betreffende jaren, mede omdat appellante zelf wist dat zij geen recht had op de toeslag nu zij in die periode geen kinderopvang afnam. De verrekening van de ten onrechte ontvangen toeslag verliep op de gebruikelijke wijze, en een bedrag van ruim €13.000 aan onterecht ontvangen toeslag werd zelfs niet verrekend. Bovendien bleek de situatie van appellante niet zo bijzonder of schrijnend dat sprake was van een onbillijkheid van overwegende aard. De Raad van State behandelde het hoger beroep, maar de beschikbare uitspraaktekst eindigt vóór het eindoordeel. Op basis van de weergegeven overwegingen lijkt de Raad van State het oordeel van de rechtbank te volgen. De zaak illustreert dat binnen de toeslagenaffaire-herstelprocedures eigen bekendheid met de onrechtmatigheid van de toeslag een verzwarende omstandigheid vormt bij de beoordeling van compensatieverzoeken.