Naturalisatieverzoek afgewezen wegens ontbrekende gelegaliseerde geboorteakte
ECLI:NL:RVS:2025:6315, Raad van State, 24-12-2025, 202500599/1/V6
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 5 december 2022 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen. [appellant] stelt afkomstig te zijn uit Soedan en op dertienjarige leeftijd te zijn verhuisd naar Eritrea. Vanuit Eritrea is hij naar Nederland gevlucht. Hij heeft een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Niet in geschil is dat [appellant] bij de indiening van het verzoek een Eritrese identiteitskaart, maar niet een gelegaliseerde geboorteakte heeft overgelegd. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen, omdat de identiteit van [appellant] niet met zekerheid is vast te stellen. [appellant] had volgens de staatssecretaris een gelegaliseerde geboorteakte uit Soedan moeten overleggen, maar heeft dat niet gedaan. Hij heeft bovendien volgens de staatssecretaris niet aangetoond dat hij in bewijsnood verkeert. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris ten onrechte van hem verlangt dat hij een geboorteakte overlegt en dat de staatssecretaris zich daarbij ten onrechte onverkort beroept op paragraaf 3.5.2 van het beleid voor artikel 7 van de RWN zoals hiervoor onder 2 weergegeven.
Kern van de zaak
Een man afkomstig uit Soedan, opgegroeid in Eritrea en houder van een asielvergunning voor onbepaalde tijd in Nederland, verzocht om naturalisatie. Hij legde een Eritrese identiteitskaart over, maar geen gelegaliseerde geboorteakte. De staatssecretaris wees het verzoek af omdat de identiteit niet met zekerheid kon worden vastgesteld.
Beslissing van de rechter
Het naturalisatieverzoek is afgewezen. De doorslaggevende reden is dat appellant geen gelegaliseerde geboorteakte uit Soedan heeft overgelegd en niet heeft aangetoond dat hij in bewijsnood verkeert, zodat zijn identiteit niet met de vereiste zekerheid kon worden vastgesteld.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen een bestaande en bestendige beleidslijn rondom naturalisatie en identiteitsvaststelling en stelt geen nieuwe rechtsregels. De impact is beperkt tot de individuele zaak en vergelijkbare gevallen met een soortgelijk feitenpatroon.
Belangrijkste punten
- 1Appellant heeft een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, maar dat is onvoldoende voor naturalisatie zonder deugdelijke identiteitsvaststelling.
- 2Op grond van artikel 31 Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap moet een verzoeker zijn identiteitsgegevens aantonen met (gelegaliseerde) documenten.
- 3Een Eritrese identiteitskaart volstaat niet als appellant stelt van Soedanese geboorte te zijn; een gelegaliseerde Soedanese geboorteakte was vereist.
- 4Appellant heeft niet aangetoond dat hij in bewijsnood verkeert, wat een mogelijke grond had kunnen zijn voor soepelere bewijseisen.
- 5De uitspraak is gebaseerd op de Handleiding RWN (paragraaf 3.5.3), die in beginsel overlegging van buitenlandse akten van de burgerlijke stand vereist.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat bij naturalisatie een strikte identiteitsvaststelling vereist is en dat de bewijslast volledig bij de verzoeker ligt, ook wanneer hij reeds een asielvergunning voor onbepaalde tijd heeft. Bewijsnood moet expliciet worden aangetoond om van de documentverplichting te worden ontheven.
Praktische impact
Verzoekers met een gemengde nationale achtergrond (geboren in land A, gevlucht via land B) dienen bij naturalisatie rekening te houden met de eis dat geboorteakten van het geboorteland worden overgelegd, ongeacht welk land de asielvergunning heeft verstrekt.
Onderwerp-impact
Voor asielzoekers en statushouders met een complex migratietraject vormt het verkrijgen van gelegaliseerde documenten uit het geboorteland vaak een praktisch onoverkomelijke drempel bij naturalisatie, wat integratiedoelen kan bemoeilijken.
Samenvatting
Deze zaak betreft een man die stelt in Soedan te zijn geboren, op dertienjarige leeftijd naar Eritrea te zijn verhuisd en vervolgens naar Nederland te zijn gevlucht. Hij beschikt over een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en heeft een verzoek om naturalisatie ingediend. Bij de indiening heeft hij een Eritrese identiteitskaart overgelegd, maar geen gelegaliseerde geboorteakte uit Soedan. De staatssecretaris heeft het naturalisatieverzoek afgewezen op de grond dat de identiteit van appellant niet met de vereiste zekerheid kon worden vastgesteld. De juridische vraag die in deze procedure centraal staat, is of de staatssecretaris het verzoek terecht heeft afgewezen wegens het ontbreken van een gelegaliseerde geboorteakte, dan wel of appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert. De Raad van State oordeelt dat de afwijzing stand houdt. Op grond van artikel 31 van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap rust de bewijslast voor de juistheid van de verstrekte identiteitsgegevens volledig op de verzoeker. De Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap schrijft voor dat in beginsel een geldige buitenlandse geboorteakte moet worden overgelegd. Nu appellant stelt van Soedanese geboorte te zijn, diende hij een gelegaliseerde Soedanese geboorteakte te verstrekken. Een Eritrese identiteitskaart volstaat daarvoor niet. Appellant heeft bovendien niet aangetoond dat het voor hem onmogelijk of onevenredig bezwarend is om deze akte te verkrijgen, hetgeen een grond had kunnen zijn voor toepassing van soepelere bewijsregels. Het feit dat appellant reeds een asielvergunning voor onbepaalde tijd heeft, doet aan deze bewijsplicht bij naturalisatie niet af. De uitspraak bevestigt de bestaande strikte beleidslijn en stelt geen nieuwe rechtsregels.