ECLI:NL:RBZWB:2026:2912, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-04-2026, BRE 25/3658
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)8:55 Verzet ongegrond. De inspecteur voert in verzet aan dat de brief van 3 april 2025 te onduidelijk is om als ingebrekestelling aan te merken. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de voorwaarde dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de inspecteur niet tijdig heeft beslist. In de brief van 3 april 2025 staat dat belanghebbende aandringt op het alsnog zo spoedig doen van een uitspraak op bezwaar. Niet valt in te zien dat deze zin alleen zou zien op de voortgang van de zaak en inzage in de stukken. Bovendien verwijst belanghebbende, zoals ook is overwogen in de uitspraak van 10 oktober 2025, naar een uitspraak van de Hoge Raad over artikel 4:17, derde lid van de Awb. Uit de omstandigheid dat belanghebbende aandringt op inzage in de stukken en aangeeft gehoord te willen worden, kan niet worden afgeleid dat belanghebbende zich niet op het standpunt stelt dat niet tijdig is beslist. Dat belanghebbende van die rechten gebruik wil maken is als uitgangspunt niet van invloed op de geldende bes
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.