JurispRadar
ECLI:NL:RBZWB:2026:2912Laag5/100

ECLI:NL:RBZWB:2026:2912, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-04-2026, BRE 25/3658

Rechtbank Zeeland-West-BrabantUitspraak: 10 april 2026Publicatie: 13 april 2026
Zaaknummer:BRE 25/3658

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

8:55 Verzet ongegrond. De inspecteur voert in verzet aan dat de brief van 3 april 2025 te onduidelijk is om als ingebrekestelling aan te merken. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de voorwaarde dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de inspecteur niet tijdig heeft beslist. In de brief van 3 april 2025 staat dat belanghebbende aandringt op het alsnog zo spoedig doen van een uitspraak op bezwaar. Niet valt in te zien dat deze zin alleen zou zien op de voortgang van de zaak en inzage in de stukken. Bovendien verwijst belanghebbende, zoals ook is overwogen in de uitspraak van 10 oktober 2025, naar een uitspraak van de Hoge Raad over artikel 4:17, derde lid van de Awb. Uit de omstandigheid dat belanghebbende aandringt op inzage in de stukken en aangeeft gehoord te willen worden, kan niet worden afgeleid dat belanghebbende zich niet op het standpunt stelt dat niet tijdig is beslist. Dat belanghebbende van die rechten gebruik wil maken is als uitgangspunt niet van invloed op de geldende bes

AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data
Originele uitspraak

Recente uitspraken

ECLI:NL:HR:2026:1284Laag
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1284, Hoge Raad, 17-07-2026, 25/01722

Hoge Raad17 jul 2026DienstverleningBouw
12/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19655Laag

ECLI:NL:RBDHA:2026:19655, Rechtbank Den Haag, 16-07-2026, NL25.24312

Rechtbank Den Haag16 jul 2026
5/100Bekijk
ECLI:NL:RBMNE:2026:4414Laag

ECLI:NL:RBMNE:2026:4414, Rechtbank Midden-Nederland, 16-07-2026, UTR 25/5836

Rechtbank Midden-Nederland16 jul 2026
5/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19578Laag

ECLI:NL:RBDHA:2026:19578, Rechtbank Den Haag, 16-07-2026, NL25.56546

Rechtbank Den Haag16 jul 2026
5/100Bekijk