ECLI:NL:RBROT:2025:13380, Rechtbank Rotterdam, 05-11-2025, C/10/684654 / FA RK 24-6251, C/10/688072 / FA RK 24-7886
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Beide partijen verzoeken in het kader van de verdeling van hun huwelijksgemeenschap het huurrecht van de echtelijke woning en voeren vergelijkbare feiten en omstandigheden aan ter beantwoording van de vraag wie van hen het meest belang heeft bij het verkrijgen van dat huurrecht. Zij zijn een co-ouderschapsregeling overeengekomen en hebben afgesproken dat het ene kind de hoofdverblijfplaats bij de ene ouder heeft en het andere kind bij de andere ouder. Daarnaast zijn ze overeengekomen dat ze allebei in de huidige woonplaats zullen blijven wonen. De rechtbank acht doorslaggevend dat de vrouw deze afspraak alleen kan nakomen indien zij het huurrecht van de echtelijke woning verkrijgt, omdat de man, indien hij het huurrecht niet krijgt, bij zijn vader kan verblijven die ook in die woonplaats woont. De rechtbank heeft daarbij ook in aanmerking genomen dat de man beschikt over een auto om de kinderen mee te vervoeren en de vrouw gebonden zou zijn aan het openbaar vervoer.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.