JurispRadar
ECLI:NL:RBOBR:2026:5929Laag10/100

ECLI:NL:RBOBR:2026:5929, Rechtbank Oost-Brabant, 04-08-2026, C/01/426753 / KG ZA 26-175

InstantieUitspraak: 4 augustus 2026Publicatie: 18 augustus 2026
Procedure:Kort geding
Zaaknummer:C/01/426753 / KG ZA 26-175

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Kort geding. Ontruiming trainingswoning. Gedaagde is soeverein. Zij heeft geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen, maar is wel verschenen op de mondelinge behandeling, waar zij heeft aangegeven dat zij “niet mee doet” omdat voor deze kort gedingprocedure geen legitieme rechtsgrond zou bestaan. Gedaagde heeft zich beroepen op allerlei internationale verdragsrechtelijke bepalingen. Meer in het bijzonder heeft zij een beroep gedaan op de jus cogens norm (een vermeende strijdigheid met een dwingende norm van algemeen internationaal recht). Volgens gedaagde zal het toewijzen van de vordering tot ontruiming haar en haar twintigjarige dochter (die geen vaste woon- of verblijfplaats heeft) dakloos maken. Hierdoor worden zij direct geraakt in hun overlevingsbestaansrecht. De voorzieningenrechter overweegt dat het verweer van gedaagde op allerlei internationale verdragen, meer in het bijzonder op de jus-cogensnorm, er niet toe leidt dat gedaagde kan worden vrijgesteld van de Nederlandse wet- en regelgeving. Immers, als de vordering tot ontruiming wordt toegewezen, betekent dit op zichzelf niet dat sprake is van schending van een dwingende norm van algemeen internationaal recht, zelfs niet als gedaagde onverhoopt dakloos zal raken. Het beroep op de jus-cogensnorm is daarvoor onvoldoende geconcretiseerd en wordt daarom verworpen. De voorzieningenrechter vindt het voldoende aannemelijk dat de woonbegeleidingsovereenkomst onder de gegeven omstandigheden rechtsgeldig tussentijds is beëindigd. Gedaagde blijkt niet begeleidbaar te zijn en schiet structureel tekort in haar verplichting om voor de eerste van de betreffende maand een vergoeding te betalen voor het gebruik van de woonruimte. Afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel.

AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data
Originele uitspraak

Recente uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:26414

ECLI:NL:RBDHA:2026:26414, Rechtbank Den Haag, 11-09-2026, NL26.24075

Rechtbank Den Haag11 sep 2026
~5geschat
Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1431

ECLI:NL:HR:2026:1431, Hoge Raad, 11-09-2026, 23/02715

Hoge Raad11 sep 2026
~75geschat
Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1470

ECLI:NL:HR:2026:1470, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/02117

Hoge Raad11 sep 2026
~60geschat
Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:26455

ECLI:NL:RBDHA:2026:26455, Rechtbank Den Haag, 11-09-2026, NL26.22233

Rechtbank Den Haag11 sep 2026
~5geschat
Bekijk