ECLI:NL:RBNNE:2026:1637, Rechtbank Noord-Nederland, 13-04-2026, C/18/245447 / FA RK 25-2293
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)echtscheiding en nevenvoorzieningen. Weliswaar heeft de man aangevoerd dat door de financiering van de woning uit zijn privévermogen de woning op grond van artikel 1:95 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) buiten de wettelijk beperkte gemeenschap blijft, maar vanwege de levering aan partijen samen geldt die bepaling niet: de formele verkrijging (de levering) is bepalend voor de eigendom. Dat betekent dat de woning tot de wettelijk beperkte huwelijksgoederengemeenschap behoort en verdeeld moet worden. De vrouw heeft ook verzocht om een verklaring voor recht dat de marktwaarde van de woning tussen partijen bij helfte verdeeld moet worden. Dat verzoek zal worden afgewezen. Doordat de man de woning volledig uit zijn privévermogen (namelijk uit een schadevergoeding waarvan niet in geschil is dat deze privévermogen van de man vormt) heeft gefinancierd, heeft hij een vergoedingsrecht (‘reprise’) als bedoeld in artikel 1:95 lid 2 BW. Het vergoedingsrecht wordt berekend overeenkomstig artikel 1:87 lid 2 BW. Omdat de man de volledige koopsom heeft betaald en daarmee ook de helft die de vrouw had moeten betalen voor haar aandeel in de woning, is de hoogte van het vergoedingsrecht gelijk aan de helft van de huidige (markt)waarde van de woning. De rechtbank begrijpt dat de man de woning toegedeeld wil krijgen. Ter gelegenheid van de verdeling van de woning kan de man het vergoedingsrecht verrekenen met het aandeel van de vrouw in de waarde van de woning. Dat aandeel is gelijk aan nul. Daardoor komt de gehele (markt)waarde van de woning aan de man toe.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.