ECLI:NL:RBNHO:2026:9197, Rechtbank Noord-Holland, 27-07-2026, HAA 24/7377 T
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Omgevingsvergunning onderdeel milieu voor het oprichten en daarna in werking hebben van een spoorwegemplacement. Eisers voeren aan dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met het geluid afkomstig van treinverkeer dat het emplacement op- en afrijdt. Die beroepsgrond slaagt. Het college heeft het treinverkeer dat het emplacement op- en afrijdt ten onrechte als doorgaand, niet tot de inrichting behorend treinverkeer aangemerkt. In het akoestisch onderzoek is dit dan ook ten onrechte als uitgangspunt aangenomen en is al het geluid dat hiermee samenhangt ten onrechte niet in de beoordeling van de milieugevolgen van de inrichting betrokken. Hierbij is van belang dat de sporen van het emplacement slechts aan één zijde zijn ontsloten en geen aansluiting hebben op het doorgaande spoor. De treinbewegingen vinden plaats op niet voor doorgaand treinverkeer bestemde sporen en op sporen die uitsluitend voor het gebruik van de inrichting bestemd zijn. Al het treinverkeer dat het emplacement op- en afrijdt, komt met het specifieke doel om activiteiten, die onderdeel uitmaken van de inrichting, te laten plaatsvinden. Daarom moeten in dit geval alle treinbewegingen die binnen de grenzen van de inrichting plaatsvinden als onderdeel van de inrichting worden beschouwd. De rechtbank stelt het college in de gelegenheid om dit gebrek te herstellen door middel van een aanvullend akoestisch onderzoek waarin de treinbewegingen die binnen de grenzen van de inrichting plaatsvinden, worden betrokken.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.