ECLI:NL:RBNHO:2026:4547, Rechtbank Noord-Holland, 28-04-2026, K/4101/12134307
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)In dit kort geding vordert een werknemer doorbetaling van loon en herstel van pensioen- en verzekeringsregeling(en). De werknemer stelt dat hij daarop aanspraak heeft na vernietiging van een vaststellingsovereenkomst wegens wederzijdse dwaling. De kantonrechter oordeelt dat voldoende aannemelijk is dat in een gewone procedure (een bodemprocedure) zal wor¬den beslist dat de vaststellingsovereenkomst wegens wederzijdse dwaling buitengerechtelijk is vernietigd. Daarvan uitgaande duurt de arbeidsovereenkomst dus voort na 1 januari 2026. De gevorderde loondoorbetaling wordt daarom toegewezen (tot 1 januari 2027). Voor een veroordeling tot herstel van pensioen- en verzekeringsregeling(en) is geen plaats. In een kort geding kan alleen een voorlopig oordeel worden gegeven en geen definitieve uitspraak wor¬den gedaan. De werkgever wordt wel veroordeeld tot aanmel¬ding bij de pensioenuit¬voer¬¬ders en/of verzekeraars, met de mededeling dat in kort geding is geoordeeld dat aanne¬me¬lijk is dat in een bodemprocedure zal worden bepaald dat het dienstverband voortduurt.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.