ECLI:NL:RBNHO:2026:11956, Rechtbank Noord-Holland, 02-09-2026, HAA 25/1535
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Deze uitspraak gaat over twee besluiten waarbij de minister boetes heeft opgelegd aan eiseres wegens overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Wet arbeid vreemdelingen. Volgens de minister heeft eiseres sinds 2019 vijf vreemdelingen in dienst gehad die feitelijk reguliere arbeid hebben verricht terwijl zij beschikten over een tewerkstellingsvergunning voor een stage. Dit is volgens de minister in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. Verder is de minister van mening dat de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is overtreden omdat de vreemdelingen, nu zij reguliere arbeid hebben verricht, recht hadden op minimumloon. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister ten aanzien van twee vreemdelingen en één Nederlandse oproepkracht voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Wet arbeid vreemdelingen. Ten aanzien van de overige twee vreemdelingen is dit niet het geval. Hierbij is doorslaggevend dat ten aanzien van één van deze vreemdelingen bijna geen stukken voorhanden zijn waardoor niet duidelijk is wat voor werkzaamheden zij heeft verricht. Ten aanzien van de andere vreemdeling blijkt uit zijn verklaringen dat hij wezenlijk andere werkzaamheden heeft verricht en in het kader van zijn studie enig onderzoek heeft verricht, hetgeen voldoende is onderbouwd om het bestaan van een dienstbetrekking te weerspreken. Tot slot ziet de rechtbank aanleiding om de boetes te matigen omdat de redelijke termijn is overschreden.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.