JurispRadar
ECLI:NL:RBNHO:2026:11253Laag5/100

ECLI:NL:RBNHO:2026:11253, Rechtbank Noord-Holland, 26-08-2026, K/4101/12064559

Rechtbank Noord-HollandUitspraak: 26 augustus 2026Publicatie: 28 augustus 2026
Procedure:Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer:K/4101/12064559

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Deze zaak gaat over de vraag of de eisende partij bevoegd is een vordering in te stellen tegen de gedaagde partij voor werkzaamheden die door een derde zijn verricht. Gedaagde partij vindt dat een rechtsverhouding ontbreekt en dat daarom de vordering moet worden afgewezen. Onder aanvulling van de rechtsgronden kwalificeert de kantonrechter de afspraak tussen de eisende partij en de derde als lastgeving tot inning. Daarmee is de bevoegdheid van de eisende partij om de vordering van de derde op de gedaagde partij te innen, gegeven. De factuur waarop de vordering is gebaseerd, is onvoldoende betwist door de gedaagde partij en daarom verschuldigd. Het beroep van de gedaagde partij op verrekening met een tegenvordering slaagt niet. De gedaagde partij wordt daarom veroordeeld tot betaling van de factuur.

AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data
Originele uitspraak

Recente uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:26414Laag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26414, Rechtbank Den Haag, 11-09-2026, NL26.24075

Rechtbank Den Haag11 sep 2026
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1431

ECLI:NL:HR:2026:1431, Hoge Raad, 11-09-2026, 23/02715

Hoge Raad11 sep 2026
~75geschat
Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1470

ECLI:NL:HR:2026:1470, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/02117

Hoge Raad11 sep 2026
~60geschat
Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:26455Laag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26455, Rechtbank Den Haag, 11-09-2026, NL26.22233

Rechtbank Den Haag11 sep 2026
5/100Bekijk