JurispRadar
ECLI:NL:RBMNE:2026:1932

ECLI:NL:RBMNE:2026:1932, Rechtbank Midden-Nederland, 13-02-2026, UTR 23/2293

Rechtbank Midden-NederlandUitspraak: 13 februari 2026Publicatie: 28 april 2026
Procedure:Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer:UTR 23/2293

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. Nu eiser geen concrete beroepsgronden heeft ingediend, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde. Het beroep is kennelijk ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Daarom heeft eiser ook recht op een proceskostenvergoeding en vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.

AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data
Originele uitspraak

Recente uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:19120

ECLI:NL:RBDHA:2026:19120, Rechtbank Den Haag, 10-07-2026, NL26.36013

Rechtbank Den Haag10 jul 2026
~13geschat
Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1245Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1245, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00155

Hoge Raad10 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1243Hoog
Belastingrecht
Mensenrechten

ECLI:NL:HR:2026:1243, Hoge Raad, 10-07-2026, 24/03381

Hoge Raad10 jul 2026VastgoedVergunningen
58/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1242Laag
Belastingrecht
Materieel strafrecht

ECLI:NL:HR:2026:1242, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/01717

Hoge Raad10 jul 2026HandhavingSchadevergoeding
28/100Bekijk