ECLI:NL:RBDHA:2026:8960, Rechtbank Den Haag, 03-04-2026, NL24.17004 NL24.17007
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Het BMA-advies is onvoldoende inzichtelijk en concludent. Het door de behandelaar gelegde verband tussen methadonbehandeling en de psychische problematiek van eiser is niet betrokken. Ook is niet betrokken dat eiser zich voor de behandeling in een situatie van sociaal-maatschappelijke teloorgang bevond en dat de behandeling nodig is ter behandeling hiervan. Verder is niet betrokken de door behandelaar genoemde gevolgen en risico’s van stopzetting van de methadonbehandeling. Naast sociaal-maatschappelijk zijn dat overdosering, infecties zoals hepatitis en psychische decompensatie. Anders dan de minister stelt, zijn deze gestelde risico’s niet (uitsluitend) gebaseerd op eigen persoonlijke opvattingen van de behandelaar maar op studies en onderzoeken die de effectiviteit van een methadonbehandeling onderschrijven. Gelet op het verleden van eiser en de algemene bronnen die in het GGD-advies zijn genoemd, ligt het in de rede dat het BMA duidelijk maakt waarom het niet verwacht dat bij eiser geen medische noodsituatie zal ontstaan. De minister kon niet zonder nader onderzoek en motivering van het BMA-advies uitgaan. Nu het standpunt van de minister dat stopzetting van methadonbehandeling in het geval van eiser niet tot een medische noodsituatie op korte termijn zal leiden geen stand houdt, kan de minister evenmin gevolgd worden in zijn standpunt dat de situatie van eiser niet vergelijkbaar is met de zaak die aanleiding gaf tot het Cannabis-arrest. Eiser voert terecht aan dat voor die beoordeling ook relevant is of in Algerije methadonbehandeling aanwezig is, nu de ernst van de te verwachten gevolgen bij het uitblijven van die behandeling een risico in de zin van artikel 4 van het Handvest oplevert. Of die behandeling aanwezig is, heeft het BMA echter niet onderzocht.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.