ECLI:NL:RBDHA:2026:27252, Rechtbank Den Haag, 18-09-2026, NL26.49371 en NL26.49369
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Prejudiciële vragen Asiel- en Migratiebeheer Verordening - Overname / omvang rechtsmiddel / belang van het kind / aanvang overdrachtstermijn. Verzoekers zijn een gehuwde man en vrouw en hun baby. Zij zijn afkomstig uit Libië en hebben op 7 juli 2026 een verzoek om internationale bescherming in Nederland ingediend. De Italiaanse autoriteiten hebben erkend verantwoordelijk te zijn voor de behandeling hiervan omdat zij visa aan verzoekers hebben verleend. De rechtbank moet uitspraak doen op het overdrachtsbesluit en op het verzoek om een voorlopige voorziening. De Uniewetgever lijkt in de regeling van de rechtsmiddelen, die is neergelegd in artikel 43 van Verordening 2024/1351, de draagwijdte van de omvang van het rechtsmiddel te hebben beperkt tot drie concreet opgesomde situaties. De rechtbank vraagt het Hof of deze beperking geldig is indien de Uniewetgever daadwerkelijk heeft beoogd dat verzoekers geen beroep kunnen doen op het belang van het kind en heeft beoogd om het belang van het kind uit te sluiten van de rechterlijke controle van de overdrachtsbesluiten. De rechtbank vraagt het Hof voorts om te verduidelijken op welke wijze de rechtbank invulling moet geven aan haar eigen verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn. De rechtbank vraagt zich af of zij gehouden is om, in dit geval ambtshalve omdat partijen dit niet hebben gedaan, zich nader te vergewissen wat het belang van het kind is en te onderzoeken, op grond van het dossier en mogelijk door het benoemen van een deskundige, of een mogelijke overdracht aan Italië indruist tegen dit belang. Tot slot rijst de vraag wanneer in het hoofdgeding de overdrachtstermijn aanvangt. Verzoekers hebben door het enkele verzoeken om een voorlopige voorziening reeds opschortende werking verkregen en bereikt dat zij niet kunnen worden overdragen aan Italië. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet toegewezen door de rechtbank en kan niet worden toegewezen met als doel om de overdrachtstermijn veilig te stellen omdat dit een rechtsmiddel is dat uitsluitend aan verzoekers toekomt. De rechtbank vraagt het Hof om te verduidelijken of in deze situatie de overdrachtstermijn aanvangt als de rechtbank uitspraak doet op het beroep of dat de overdrachtstermijn verloopt als zes maanden na de aanvaarding van de overnameverzoeken verstrijken voordat de rechtbank uitspraak doet. Indien het Hof arrest wijst na deze termijn wordt Nederland mogelijk verantwoordelijk vanwege het enkele tijdsverloop. De rechtbank stelt het Hof drie prejudiciële vragen en verzoekt het Hof om de vragen in de spoedprocedure te behandelen (PPU). De behandeling van het beroep wordt geschorst totdat het Hof de vragen heeft beantwoord.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.