Iraakse vrouw wint: visumaanvraag familiebezoek ten onrechte afgewezen
ECLI:NL:RBDHA:2026:25353, Rechtbank Den Haag, 28-08-2026, NL26.6295
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)8 EVRM, mvv kort verblijf, Irak, economische en sociale binding, schending hoorplicht, beroep gegrond.
Kern van de zaak
Een Iraakse vrouw (geb. 1969) vroeg een kort verblijfsvisum aan om haar dochter in Nederland te bezoeken rondom de bevalling van haar eerste kleinkind. De minister weigerde het visum wegens twijfel over tijdig vertrek en onvoldoende binding met Irak, en behandelde het bezwaar als kennelijk ongegrond zonder eiseres te horen.
Beslissing van de rechter
Het beroep is gegrond verklaard en het besluit van 20 januari 2026 is vernietigd. De minister had eiseres niet zonder gehoor mogen afwijzen als kennelijk ongegrond, omdat de Afdeling bestuursrechtspraak heeft bepaald dat dit onder de gegeven omstandigheden niet is toegestaan. De minister moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande Afdelingsjurisprudentie toe op een individuele visumzaak en stelt geen nieuwe rechtsregels; de precedentwerking is beperkt tot vergelijkbare feitelijke situaties.
Belangrijkste punten
- 1Minister weigerde visum kort verblijf op grond van redelijke twijfel over tijdig vertrek en onvoldoende sociale/economische binding met Irak
- 2Minister behandelde bezwaar als kennelijk ongegrond zonder eiseres te horen, in afwijking van rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak
- 3Rechtbank vernietigt het besluit van 20 januari 2026 wegens schending van het recht op gehoor in bezwaar
- 4Minister wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen
- 5Minister veroordeeld tot betaling van €1.868 proceskosten en €200 griffierecht
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de minister een bezwaar in een visumzaak niet als kennelijk ongegrond mag afdoen zonder de aanvrager te horen, tenzij het feitencomplex werkelijk onomstreden is, conform vaste Afdelingsjurisprudentie.
Praktische impact
Voor eiseres betekent dit dat haar bezwaar opnieuw moet worden beoordeeld, ditmaal met de mogelijkheid gehoord te worden; haar bezoek aan kleinkind is door de lange procedure al niet tijdig mogelijk geweest.
Onderwerp-impact
In visumzaken rondom familiebezoek benadrukt deze uitspraak dat overheidsinstanties procedurele waarborgen, met name het hoorrecht, ook bij kennelijk-ongegrondverklaring moeten respecteren.
Samenvatting
Een Iraakse vrouw van 57 jaar diende op 30 juli 2025 een aanvraag in voor een Schengenvisum kort verblijf om haar in Nederland wonende dochter bij te staan tijdens de bevalling van haar eerste kind. Toen het kind in de tussentijd al was geboren, wijzigde zij het reisdoel naar 'familiebezoek' om haar kleinkind te ontmoeten. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat er redelijke twijfel zou bestaan of eiseres na afloop van haar visum de EU tijdig zou verlaten. Als onderbouwing voerde de minister aan dat het verblijfsdoel en de verblijfsomstandigheden onvoldoende waren aangetoond, en dat eiseres geen toereikende sociale of economische binding met Irak had aangetoond. Het bezwaar werd vervolgens als kennelijk ongegrond afgedaan, zonder eiseres te horen. Eiseres stelde voor de rechtbank dat de minister haar ten onrechte niet had gehoord en verwees daarvoor naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uit die rechtspraak volgt dat een bestuursorgaan een bezwaar niet als kennelijk ongegrond mag behandelen — en daarmee het hoorrecht mag overslaan — tenzij het achterliggende feitencomplex werkelijk evident en onomstreden is. De rechtbank Den Haag oordeelde dat de minister in dit geval ten onrechte van de hoormogelijkheid had afgezien. Het bestreden besluit van 20 januari 2026 werd vernietigd en de minister werd opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, waarbij hij rekening dient te houden met deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van €1.868 aan proceskosten en terugbetaling van €200 griffierecht. De uitspraak heeft een beperkte precedentwerking en bevestigt vooral het belang van procedurele waarborgen in visumzaken.