ECLI:NL:RBDHA:2026:21234Laag5/100
ECLI:NL:RBDHA:2026:21234, Rechtbank Den Haag, 28-07-2026, NL26.20908 en NL26.20909 en NL26.22728 en NL26.22729
Rechtbank Den HaagUitspraak: 28 juli 2026Publicatie: 30 juli 2026
Zaaknummer:NL26.20908 en NL26.20909 en NL26.22728 en NL26.22729
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Dublin Frankrijk. Tussen partijen staat niet ter discussie dat er kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Frankrijk. Eisers stellen zich op het standpunt dat de minister in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening de verantwoordelijkheid voor hun asielverzoeken aan zich had moet trekken. De rechtbank ziet niet in waarom de omstandigheden die eisers aanvoeren maken dat overdracht naar Frankrijk van een onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvragen aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Het beroep is ongegrond.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.
Bron: Rechtspraak.nl Open Data
Originele uitspraakRecente uitspraken
ECLI:NL:OGEAC:2026:118Laag
ECLI:NL:OGEAC:2026:118, Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 30-07-2026, CUR202503000
Instantie30 jul 2026
5/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:21149Laag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21149, Rechtbank Den Haag, 29-07-2026, NL26.24787
Rechtbank Den Haag29 jul 2026
5/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4410Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
ECLI:NL:RVS:2026:4410, Raad van State, 29-07-2026, 202501680/1/A2
Raad van State29 jul 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4442
ECLI:NL:RVS:2026:4442, Raad van State, 29-07-2026, 202501268/1/R1
Raad van State29 jul 2026
~55geschat
Bekijk