Beroep tegen terugkeerbesluit Oekraïense tijdelijke bescherming ongegrond
ECLI:NL:RBDHA:2026:20064, Rechtbank Den Haag, 23-06-2026, NL24.11944
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Derdelander Oekraïne. Terugkeerbesluit niet prematuur. Privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM staat niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Niet gebleken dat het bestreden besluit in strijd is met het verbod op refoulement. Geen schending hoorplicht. Beroep ongegrond.
Kern van de zaak
Een vreemdeling met (facultatieve) tijdelijke bescherming in Nederland vecht een terugkeerbesluit aan, stellende dat zijn verblijf nog legaal is vanwege een lopende beroepsprocedure, een toegewezen voorlopige voorziening en een bevriezingsmaatregel tot 4 september 2025.
Beslissing van de rechter
Het beroep tegen het oorspronkelijke terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is niet-ontvankelijk verklaard omdat dit besluit is ingetrokken; het beroep tegen het vervangende terugkeerbesluit van 28 juli 2025 is ongegrond verklaard. Doorslaggevend is dat de rechtbank op grond van het HvJ EU-arrest Kaduna en Abkez (19 december 2024) oordeelt dat het terugkeerbesluit niet prematuur is uitgevaardigd.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past bestaand HvJ EU-recht toe op een individuele zaak en heeft relevantie voor vergelijkbare gevallen van tijdelijke bescherming, maar stelt zelf geen nieuwe rechtsregels en is afkomstig van een rechtbank in eerste aanleg.
Belangrijkste punten
- 1Het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 vervangt het besluit van 21 februari 2024 en valt op grond van artikel 6:19 Awb automatisch onder de lopende beroepsprocedure.
- 2Het HvJ EU-arrest Kaduna en Abkez (19 december 2024) bepaalt dat een lidstaat facultatieve tijdelijke bescherming eerder mag intrekken dan de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, mits dit het nuttig effect van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming niet ondermijnt.
- 3Een terugkeerbesluit mag echter niet worden uitgevaardigd zolang de betrokkene nog legaal verblijf geniet op grond van tijdelijke bescherming, ook niet als de gevolgen tot de einddatum worden opgeschort.
- 4De rechtbank acht het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 toelaatbaar, hetgeen impliceert dat de tijdelijke bescherming van eiser op dat moment reeds was geëindigd of niet (meer) in de weg stond aan het besluit.
- 5De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,-, wat wijst op gedeeltelijk inhoudelijk succes voor eiser op procedureel vlak.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past het HvJ EU-arrest Kaduna en Abkez toe in de Nederlandse praktijk en bevestigt de grenzen waarbinnen lidstaten terugkeerbesluiten mogen uitvaardigen jegens personen met (facultatieve) tijdelijke bescherming.
Praktische impact
Voor vreemdelingen met tijdelijke bescherming betekent dit dat een terugkeerbesluit rechtmatig kan zijn zodra de bescherming is geëindigd, ook als er nog een beroepsprocedure loopt; de combinatie van voorlopige voorziening en bevriezingsmaatregel biedt geen absolute bescherming tegen een terugkeerbesluit.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenbeleid rond tijdelijke bescherming (met name voor Oekraïners) bevestigt deze uitspraak dat de intrekking van facultatieve bescherming en de uitvaardiging van een terugkeerbesluit nauw op elkaar dienen te worden afgestemd conform Europees recht.
Samenvatting
In deze zaak had een vreemdeling beroep ingesteld tegen twee opeenvolgende terugkeerbesluiten van de minister: het eerste van 21 februari 2024 en het vervangende besluit van 28 juli 2025. Eiser stelde dat het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 prematuur was, omdat hij ten tijde van de uitvaardiging nog rechtmatig in Nederland verbleef. Hij baseerde dit rechtmatig verblijf op drie gronden: de lopende beroepsprocedure, een toegewezen voorlopige voorziening, en een bevriezingsmaatregel die naar eigen zeggen tot 4 september 2025 liep. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk, nu de minister dit besluit had ingetrokken. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, Awb viel het vervangende terugkeerbesluit van 28 juli 2025 automatisch onder de reikwijdte van het lopende beroep. Ten aanzien van het vervangende terugkeerbesluit toetste de rechtbank aan het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de EU van 19 december 2024. Uit dat arrest volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming eerder mag intrekken dan het einde van de verplichte tijdelijke bescherming, mits dit het nuttig effect van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming niet aantast en de algemene beginselen van Unierecht — waaronder het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel — worden nageleefd. Tevens volgt uit dit arrest dat een terugkeerbesluit niet kan worden uitgevaardigd zolang de betrokkene nog legaal verblijft op grond van tijdelijke bescherming, ook niet indien de gevolgen ervan worden opgeschort tot de einddatum van die bescherming. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 ongegrond, kennelijk oordelend dat de tijdelijke bescherming van eiser op dat moment niet meer in de weg stond aan het uitvaardigen van het terugkeerbesluit. De minister werd wel veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 934,-.