ECLI:NL:RBDHA:2026:19567, Rechtbank Den Haag, 15-07-2026, NL26.36938
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel, onder meer omdat hij vindt dat verweerder de rechtbank hiervan niet onverwijld in kennis heeft gesteld. De rechtbank concludeert dat verweerder de rechtbank niet onverwijld in kennis heeft gesteld van de bewaring. Dit is een gebrek. Door een computerstoring zitten er twee dagen tussen de oplegging van de maatregel en de kennisgeving. Deze storing komt voor rekening van verweerder. De rechtbank is echter van oordeel dat het gebrek de bewaring in dit geval niet onrechtmatig maakt. De rechtbank kan namelijk zonder problemen nog tijdig uitspraak doen zodat eiser binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na de oplegging ervan een oordeel heeft over de rechtmatigheid van de maatregel. Verweerders belang bij voortzetting van de maatregel is dan ook groter dan het belang van eiser. Het beroep is ongegrond.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.