Beroep tegen wet excessief lenen bij eigen BV ongegrond
ECLI:NL:RBDHA:2026:18512, Rechtbank Den Haag, 02-07-2026, 25_3581
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)inkomstenbelasting - Naar het oordeel van de rechtbank is belastingheffing over fictief regulier voordeel op stelselniveau niet strijdig met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel met de artikelen 6 en 7 van het EVRM. Beroep ongegrond.
Kern van de zaak
Een aanmerkelijkbelanghouder had in 2023 een schuld van ruim €1,27 miljoen bij zijn eigen BV. De Belastingdienst berekende een fictief regulier voordeel van €572.292 op grond van de Wet excessief lenen. Eiser bestreed deze heffing wegens strijd met het EVRM.
Beslissing van de rechter
De rechtbank Den Haag verklaart het beroep ongegrond. De doorslaggevende reden is dat de belastingheffing over fictief regulier voordeel op grond van de Wet excessief lenen niet in strijd is met artikel 1 EP EVRM noch met de artikelen 6 en 7 EVRM.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt bestaande rechtspraak over de Wet excessief lenen en heeft relevantie voor een specifieke doelgroep (dga's met excessieve schulden), maar bevat geen nieuwe rechtsnormen en is vatbaar voor hoger beroep.
Belangrijkste punten
- 1Eiser hield alle aandelen in A BV en had per 31 december 2023 een schuld van €1.272.292 bij die vennootschap.
- 2Op grond van de Wet excessief lenen (art. 4.14a Wet IB 2001, ingevoerd per 1 januari 2023) wordt het deel van de schuld boven €700.000 als fictief regulier voordeel belast in box 2.
- 3Het fictief regulier voordeel bedraagt €572.292 (€1.272.292 minus het maximumbedrag van €700.000).
- 4Eiser betoogde dat de heffing op stelselniveau strijdig is met het eigendomsrecht (art. 1 EP EVRM) en de strafrechtelijke waarborgen van art. 6 en 7 EVRM.
- 5De rechtbank verwerpt alle EVRM-grieven en acht de wettelijke regeling houdbaar.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepasbaarheid van de Wet excessief lenen en wijst de EVRM-bezwaren (art. 1 EP, art. 6 en 7 EVRM) op stelselniveau af, waarmee de rechtbank in lijn blijft met eerder gewezen rechtbankvonnissen over deze wet. Hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag blijft mogelijk.
Praktische impact
Aanmerkelijkbelanghouders met schulden bij hun eigen vennootschap boven €700.000 worden geconfirmeerd dat box 2-heffing over het fictief regulier voordeel rechtmatig is en EVRM-argumenten vooralsnog geen soelaas bieden.
Onderwerp-impact
Voor dga's en hun adviseurs benadrukt deze uitspraak dat de Wet excessief lenen robuust is en dat schuldsanering of dividenduitkering vóór het einde van het belastingjaar noodzakelijk blijft om de fictieve heffing te vermijden.
Samenvatting
In deze zaak stond de toepassing van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap centraal. De eiser, enig aandeelhouder van een BV, had per 31 december 2023 een schuld van €1.272.292 bij zijn vennootschap. Op grond van artikel 4.14a van de Wet IB 2001 — ingevoerd per 1 januari 2023 — wordt het deel van dergelijke schulden dat het drempelbedrag van €700.000 overschrijdt, aangemerkt als fictief regulier voordeel uit aanmerkelijk belang en belast in box 2. In dit geval resulteerde dat in een fictief regulier voordeel van €572.292, waarover aanmerkelijkbelangheffing werd opgelegd. De aanslag was conform de ingediende aangifte opgelegd; eiser had het fictief regulier voordeel zelf al verwerkt in zijn aangifte, maar betwistte de rechtmatigheid van de heffing. Eiser voerde aan dat belastingheffing over fictief regulier voordeel op stelselniveau strijdig is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (recht op eigendom), alsmede met de artikelen 6 en 7 EVRM (recht op een eerlijk proces respectievelijk het legaliteitsbeginsel in strafzaken). De rechtbank verwierp al deze grieven. Zij oordeelde dat de wetgever binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge is gebleven bij de vormgeving van de Wet excessief lenen, dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last, en dat de fiscale heffing geen punitief karakter heeft dat de toepasselijkheid van de strafrechtelijke waarborgen van art. 6 en 7 EVRM zou kunnen activeren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De uitspraak sluit aan bij andere rechterlijke oordelen over de Wet excessief lenen en biedt DGA's geen ontsnappingsroute via het EVRM. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.