Beroep tegen fictief regulier voordeel excessief lenen ongegrond
ECLI:NL:RBDHA:2026:18509, Rechtbank Den Haag, 02-07-2026, 25_7966
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)inkomstenbelasting - Naar het oordeel van de rechtbank is belastingheffing over fictief regulier voordeel op stelselniveau niet strijdig met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel met de artikelen 6, 7 en 14 van het EVRM. Beroep ongegrond.
Kern van de zaak
Eiseres en haar partner hadden in 2023 een rekening-courantschuld van € 786.278 aan de eigen vennootschap. De Belastingdienst legde een aanslag op waarbij € 11.151 als fictief regulier voordeel uit aanmerkelijk belang aan eiseres werd toegerekend op grond van de Wet excessief lenen. Eiseres betwistte de heffing en stelde dat deze in strijd is met het EVRM.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De doorslaggevende reden is dat de heffing over fictief regulier voordeel op grond van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap niet in strijd is met artikel 1 EP EVRM noch met de artikelen 6, 7 en 14 EVRM.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is relevant voor de lopende rechtspraktijk rondom de Wet excessief lenen, maar betreft een eerste-aanleg oordeel van de Rechtbank Den Haag zonder nieuwe rechtsvragen; vergelijkbare uitspraken zijn al eerder gedaan.
Belangrijkste punten
- 1De Wet excessief lenen (per 1 januari 2023) introduceert een fictief regulier voordeel voor rekening-courantschulden van aanmerkelijkbelanghouders die de drempel overschrijden.
- 2De rekening-courantschuld van de partner aan de eigen vennootschap steeg van € 20.218 (2019) naar € 786.278 (2023), ruimschoots boven de wettelijke drempel.
- 3Eiseres betoogde dat de heffing op stelselniveau in strijd is met eigendomsrecht (art. 1 EP EVRM) en met het verbod op terugwerkende kracht en discriminatie (art. 6, 7 en 14 EVRM).
- 4De rechtbank verwerpt alle EVRM-grieven en acht de wettelijke regeling rechtsgeldig.
- 5Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 11.151 (aandeel eiseres) blijft in stand.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de houdbaarheid van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap in het licht van het EVRM, met name artikel 1 EP en de artikelen 6, 7 en 14. Dit sluit aan bij een reeks vergelijkbare procedures over deze relatief nieuwe wetgeving.
Praktische impact
Belastingplichtigen met hoge rekening-courantschulden aan hun eigen vennootschap die de wettelijke drempel overschrijden, kunnen niet met succes een beroep doen op EVRM-schendingen om de heffing te ontlopen; zij dienen de schuld af te lossen of de belasting te voldoen.
Onderwerp-impact
Voor directeuren-grootaandeelhouders en hun fiscale adviseurs benadrukt deze uitspraak dat de Wet excessief lenen effectief wordt gehandhaafd en dat EVRM-verweren vooralsnog niet slagen bij de lagere rechter.
Samenvatting
Deze zaak betreft de toepassing van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap (ingevoerd per 1 januari 2023) op de situatie van eiseres en haar partner. De partner hield alle aandelen in een besloten vennootschap en had een oplopende rekening-courantschuld aan die vennootschap, die in 2023 was gegroeid tot € 786.278. Op grond van artikel 4.14a Wet IB 2001 wordt het bedrag dat de wettelijke drempel overschrijdt fictief aangemerkt als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. In de aangifte IB/PVV 2023 werd een fictief regulier voordeel van € 86.278 aangegeven, waarvan € 11.151 aan eiseres werd toegerekend. De Belastingdienst volgde de aangifte en legde de aanslag dienovereenkomstig op. Eiseres maakte bezwaar en stelde vervolgens beroep in, waarbij zij primair aanvoerde dat de wettelijke heffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (eigendomsrecht), alsmede met de artikelen 6 (recht op eerlijk proces), 7 (verbod op terugwerkende kracht) en 14 (discriminatieverbod) van het EVRM. De rechtbank Den Haag verwerpt al deze gronden en verklaart het beroep ongegrond. De rechtbank oordeelt dat de wetgever bij de invoering van de Wet excessief lenen binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge is gebleven en dat de regeling geen ontoelaatbare inbreuk maakt op de door het EVRM gewaarborgde rechten. De aanslag met een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 11.151 voor eiseres blijft daarmee in stand. De uitspraak bevestigt de lijn die ook door andere rechtbanken wordt gevolgd bij de beoordeling van EVRM-verweren tegen deze relatief nieuwe fiscale maatregel. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Den Haag.