JurispRadar
ECLI:NL:RBDHA:2026:18507Middel48/100

Beroep tegen excessief lenen eigen vennootschap ongegrond verklaard

ECLI:NL:RBDHA:2026:18507, Rechtbank Den Haag, 02-07-2026, 25_7967

Rechtbank Den HaagUitspraak: 2 juli 2026Publicatie: 6 juli 2026
Procedure:Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer:25_7967
Belastingrecht
Europees civiel recht
Mensenrechten
Financiele Dienstverlening
Overheid
Dga
Excessief Lenen
Aanmerkelijk Belang
Fictief Regulier Voordeel
Evrm Toetsing

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

inkomstenbelasting - Naar het oordeel van de rechtbank is belastingheffing over fictief regulier voordeel op stelselniveau niet strijdig met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel met de artikelen 6, 7 en 14 van het EVRM. Beroep ongegrond.

Kern van de zaak

Een aanmerkelijkbelanghouder betwistte de belastingaanslag over 2023 waarbij zijn rekening-courantschuld aan zijn eigen vennootschap (opgelopen tot € 786.278) leidde tot een fictief regulier voordeel van € 75.127. Hij stelde dat de Wet excessief lenen strijdig is met artikel 1 EP EVRM en de artikelen 6, 7 en 14 EVRM.

Beslissing van de rechter

De rechtbank Den Haag verklaart het beroep ongegrond. De belastingheffing over het fictief regulier voordeel op grond van de Wet excessief lenen is niet in strijd met het EVRM of het Eerste Protocol, zodat de aanslag terecht is opgelegd.

48van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak is één van de eerste rechterlijke toetsingen van de Wet excessief lenen aan het EVRM en heeft daarmee enige precedentwaarde voor vergelijkbare DGA-procedures, maar is een uitspraak van een rechtbank in eerste aanleg zonder fundamentele nieuwe rechtsvraagbeantwoording.

Belangrijkste punten

  • 1Rekening-courantschuld aan eigen vennootschap groeide van € 20.218 (2019) naar € 786.278 (2023), ruim boven de drempel van € 700.000
  • 2Op grond van de Wet excessief lenen (art. 4.14a Wet IB 2001, ingevoerd per 1 januari 2023) wordt het meerdere boven de drempel als fictief regulier voordeel belast
  • 3Eiser beriep zich op strijd met eigendomsrecht (art. 1 EP EVRM) en verbod op terugwerkende kracht en discriminatie (art. 6, 7 en 14 EVRM)
  • 4De rechtbank verwerpt alle EVRM-bezwaren en bevestigt de wettigheid van de aanslag
  • 5Belastingrente van € 686 blijft eveneens in stand

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap in overeenstemming is met het EVRM, inclusief het eigendomsrecht en het gelijkheidsbeginsel. Dit is een van de eerste rechterlijke toetsen van deze wet, die precedentwaarde kan hebben voor vergelijkbare procedures.

Praktische impact

Aanmerkelijkbelanghouders met een rekening-courantschuld boven de drempel van € 700.000 kunnen niet met succes een beroep doen op EVRM-schendingen om de belastingheffing te ontlopen. Partijen kunnen nog hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Den Haag.

Onderwerp-impact

Voor DGA's (directeuren-grootaandeelhouders) die geld lenen van hun eigen vennootschap bevestigt deze uitspraak dat excessieve schulden boven de wettelijke drempel worden belast als inkomen uit aanmerkelijk belang, ongeacht EVRM-verweren.

Samenvatting

In deze zaak bij Rechtbank Den Haag stond centraal of de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap, in werking getreden per 1 januari 2023, in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De eiser, een aanmerkelijkbelanghouder die alle aandelen hield in zijn eigen BV, had in de loop der jaren een aanzienlijke rekening-courantschuld opgebouwd bij die vennootschap: van ruim € 20.000 in 2019 tot € 786.278 in 2023. Op grond van de nieuwe wetgeving (artikel 4.14a Wet IB 2001) wordt het gedeelte van de schuld boven de drempel van € 700.000 aangemerkt als fictief regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, waarover inkomstenbelasting is verschuldigd. In dit geval leidde dat tot een belastbaar fictief voordeel van € 86.278, waarvan € 75.127 aan eiser werd toegerekend. Eiser bestreed de aanslag en stelde dat de belastingheffing op stelselniveau in strijd was met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (eigendomsrecht), artikel 6 EVRM (eerlijk proces), artikel 7 EVRM (legaliteitsbeginsel) en artikel 14 EVRM (discriminatieverbod). De rechtbank verwierp alle EVRM-verweren en verklaarde het beroep ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de wettelijke regeling rechtmatig is en de belastingheffing over het fictief regulier voordeel niet in strijd komt met de ingeroepen verdragsbepalingen. De aanslag, inclusief de belastingrente van € 686, blijft daarmee volledig in stand. Deze uitspraak is relevant voor de talrijke vergelijkbare procedures die verwacht worden nu de Wet excessief lenen voor het eerst volledig van toepassing is op het belastingjaar 2023. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Den Haag.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 10 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
48van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1234Laag
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1234, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00131

Hoge Raad10 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
12/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1261Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1261, Hoge Raad, 10-07-2026, 24/03361

Hoge Raad10 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1245Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1245, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00155

Hoge Raad10 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1016Hoog
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1016, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00129

Hoge Raad10 jul 2026Financiele DienstverleningOverheid
58/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied