Beroep Dublin-overdracht naar Slowakije ongegrond verklaard
ECLI:NL:RBDHA:2026:17752, Rechtbank Den Haag, 05-03-2026, NL25.47760
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)herhaald en ingelast, standaard voornemen, arrest C.K., Tarakhel, Artikel 17 Dv, artikel 6 EVRM, Slowakije
Kern van de zaak
Een asielzoeker vocht bij de rechtbank Den Haag de beslissing aan waarbij verweerder (IND) zijn asielaanvraag niet in behandeling nam omdat Slowakije op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor zijn aanvraag. Eiser stelde onder meer dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met zijn individuele en bijzondere omstandigheden.
Beslissing van de rechter
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond; het bestreden besluit blijft in stand. Doorslaggevend is dat verweerder in het bestreden besluit voldoende kenbaar is ingegaan op alle relevante elementen, inclusief de zienswijze van eiser, en dat het voornemen als voorbereidingshandeling aan de daaraan te stellen vereisten voldoet.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard Dublin-zaak op rechtbankniveau die de bestaande jurisprudentie van de Afdeling bevestigt zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; de maatschappelijke en precedentwerking is beperkt.
Belangrijkste punten
- 1Slowakije is op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag; verweerder heeft terecht afgezien van toepassing van de discretionaire clausule (artikel 17 Dublinverordening).
- 2Het voornemen is een voorbereidingshandeling zonder rechtsgevolg; een standaardvoornemen voldoet aan de vereisten conform ABRvS-uitspraken van 23 november 2023 en 11 april 2025.
- 3Dat eisers verklaringen niet kenbaar zijn betrokken in het voornemen, is niet doorslaggevend omdat eiser via de zienswijze in de gelegenheid is gesteld en ook daadwerkelijk heeft gereageerd.
- 4Het enkel herhalen en inlassen van eerder ingebrachte gronden vormt op zichzelf geen reden voor vernietiging van het bestreden besluit.
- 5Geen proceskostenvergoeding toegekend.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak dat een standaardvoornemen in Dublin-zaken volstaat en dat het ontbreken van kenbare individuele weging in het voornemen wordt geheeld door de zienswijzeprocedure en de motivering in het besluit zelf.
Praktische impact
Voor de asielzoeker betekent dit dat de overdracht aan Slowakije in stand blijft en hij zijn asielaanvraag aldaar dient te doorlopen. Hij kan nog hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na verzending.
Onderwerp-impact
In Dublin-overdrachtzaken onderstreept deze uitspraak dat de zienswijzeprocedure het centrale moment is voor individuele belangenbehartiging; het ontbreken van expliciete individuele weging in het voornemen vormt op zichzelf geen zelfstandige vernietigingsgrond.
Samenvatting
In deze zaak bij de Rechtbank Den Haag ging het om een asielzoeker die beroep instelde tegen een besluit van de IND om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De reden daarvoor was dat Slowakije op grond van de Dublinverordening als verantwoordelijke lidstaat was aangewezen. Eiser betoogde dat verweerder in het voornemen onvoldoende was ingegaan op zijn individuele en bijzondere omstandigheden en dat de discretionaire clausule van artikel 17 van de Dublinverordening ten onrechte niet was toegepast. De rechtbank verwierp deze beroepsgronden. Zij stelde voorop dat het louter herhalen van eerder aangevoerde standpunten zonder te specificeren waarom het bestreden besluit onjuist is, geen grond voor vernietiging oplevert. Met betrekking tot het voornemen oordeelde de rechtbank dat dit een voorbereidingshandeling zonder rechtsgevolg is, en dat uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van 23 november 2023 en 11 april 2025 volgt dat een standaardvoornemen in dit soort gevallen aan de vereisten voldoet. Ook als eisers verklaringen niet kenbaar zijn verwerkt in het voornemen, had eiser door middel van zijn zienswijze de gelegenheid om te reageren — en dat heeft hij ook gedaan. Vervolgens is verweerder in het bestreden besluit wél ingegaan op alle relevante elementen, inclusief hetgeen in de zienswijze was aangevoerd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en laat het bestreden besluit in stand. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak bevestigt de bestaande jurisprudentielijn en heeft daarmee beperkte zelfstandige precedentwaarde, maar illustreert wel dat de zienswijzeprocedure in Dublin-zaken het centrale moment is voor individuele belangenbehartiging.