Hoge Raad verwerpt cassatie over WOZ-gegevensverstrekking
ECLI:NL:HR:2026:1290, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/03005
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 40, lid 2, Wet WOZ; vergoeding griffierecht en proceskostenvergoeding; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2025:1823
Kern van de zaak
Een belanghebbende stelde dat de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht artikel 40 lid 2 Wet WOZ had geschonden door gevraagde gegevens niet tijdig te verstrekken. Het Hof had dit in het midden gelaten en geoordeeld dat belanghebbende niet was benadeeld. Belanghebbende ging in cassatie bij de Hoge Raad.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hoewel de klacht over de motivering van het Hof (benadeling-oordeel) terecht was voorgesteld, leidt dit niet tot cassatie omdat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de gevraagde gegevens alsnog tijdig in de bezwaarfase zijn verstrekt.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een toepassing van eerder door de Hoge Raad geformuleerde regels (HR 2025:1823) en introduceert geen nieuwe rechtsnorm; de praktische verduidelijking over herstel in de bezwaarfase heeft wel enige beleidsmatige relevantie voor WOZ-uitvoeringspraktijk.
Belangrijkste punten
- 1Het Hof liet in het midden of artikel 40 lid 2 Wet WOZ was geschonden en oordeelde dat belanghebbende niet was benadeeld omdat zij ook zonder schending beroep zou hebben ingesteld.
- 2De Hoge Raad acht dit benadeling-oordeel onjuist en verwijst naar zijn arrest van 19 december 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1823), maar verbindt hier geen cassatiegevolg aan.
- 3De reden dat cassatie uitblijft: de stukken van het geding tonen dat de gevraagde WOZ-gegevens wél in de bezwaarfase zijn verstrekt, zodat het eventuele gebrek is hersteld.
- 4De overige cassatieklachten worden verworpen op de voet van artikel 81 lid 1 RO, zonder nadere motivering.
- 5Geen proceskostenveroordeling.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de lijn uit HR 19 december 2025 dat het 'geen benadeling'-oordeel op de door het Hof gehanteerde grond onjuist is, maar verduidelijkt tevens dat herstel van de schending in de bezwaarfase cassatie kan voorkomen.
Praktische impact
Voor WOZ-belanghebbenden betekent dit dat een schending van de informatieplicht van artikel 40 lid 2 Wet WOZ niet automatisch leidt tot vernietiging van de uitspraak als de gevraagde gegevens alsnog tijdig in bezwaar zijn verstrekt.
Onderwerp-impact
Voor gemeenten en heffingsambtenaren onderstreept de uitspraak het belang van tijdige gegevensverstrekking in de bezwaarfase om procedureverweren op grond van artikel 40 lid 2 Wet WOZ te neutraliseren.
Samenvatting
In deze procedure stond centraal of de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht artikel 40 lid 2 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) had geschonden door niet tijdig de gevraagde gegevens te verstrekken. Het gerechtshof had deze vraag in het midden gelaten en geoordeeld dat de belanghebbende door een eventuele schending niet was benadeeld, omdat zij ook zonder die schending beroep zou hebben ingesteld. De belanghebbende bestreed dit oordeel in cassatie. De Hoge Raad stelt vast dat de klacht over dit benadeling-oordeel terecht is voorgesteld: de redenering van het Hof strookt niet met de maatstaf die de Hoge Raad heeft geformuleerd in zijn arrest van 19 december 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1823). Desondanks leidt de gegronde klacht niet tot vernietiging van de hofuitspraak. De reden is dat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de gevraagde en onder de reikwijdte van artikel 40 lid 2 Wet WOZ vallende gegevens in de bezwaarfase alsnog aan de belanghebbende zijn verstrekt. Het eventuele gebrek is daarmee hersteld, zodat het processuele belang bij cassatie ontbreekt. De overige cassatieklachten worden verworpen op de voet van artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie, zonder nadere motivering, omdat beantwoording ervan niet noodzakelijk is voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. De uitspraak is praktisch relevant voor de WOZ-uitvoeringspraktijk: zij maakt duidelijk dat herstel van een informatieverzuim in de bezwaarfase voldoende kan zijn om cassatie te voorkomen, ook al was de oorspronkelijke motivering van het Hof over benadeling onjuist.