ECLI:NL:RBAMS:2026:9876, Rechtbank Amsterdam, 06-10-2026, 13/214625-26
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van vervolging voor hetzelfde feit (moord/doodslag) in Nederland. De opgeëiste persoon is eerst in Nederland is aangehouden op grond van artikel 287/289 Wetboek van Strafrecht. Hij is daarna in vrijheid gesteld en vervolgens aangehouden op grond van de OLW. Uit hetgeen de officier van justitie op de zitting naar voren heeft gebracht, blijkt dat het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is om de zaak waarvoor de opgeëiste persoon eerst in Nederland was aangehouden, te vervolgen. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een algemeen gevaar ten aanzien van de detentieomstandigheden in Duitsland voor gedetineerden met psychische problematiek, zoals de opgeëiste persoon. De rechtbank ziet geen reden om aan de Duitse autoriteiten garanties te vragen over de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon na overlevering terecht zal komen. De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen weigeringsgronden en beletselen zijn en staat de overlevering aan Duitsland toe. De opgeëiste persoon heeft een beroep gedaan op de terugkeergarantie die inhoudt dat hij na een eventuele veroordeling in Duitsland zijn straf in Nederland kan uitzitten.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.