Hoge Raad: griffierecht kan toegang tot rechter blokkeren
ECLI:NL:HR:2026:915, Hoge Raad, 12-06-2026, 25/02830
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Procesrecht; artt. 8:41 en art. 8:109 Awb; art. 267 VWEU; artt. 47 en 52 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; toetsing regeling heffing van griffierecht aan Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel; vaststellen van de redelijke termijn van berechting; geen noodzaak tot stellen van prejudiciële vragen.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) bestreed dat het griffierecht dat hij moest betalen om beroep in te stellen 28,8% bedroeg van het financieel belang in de procedure. Hij stelde dat dit disproportioneel is en in strijd met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel, zoals uitgelegd in het arrest Kantarev van het Hof van Justitie. De Rechtbank had het verzet ongegrond verklaard en een verzoek om immateriëleschadevergoeding wegens termijnoverschrijding afgewezen.
Beslissing van de rechter
De uitspraak betreft de beoordeling door de Hoge Raad van middel I, gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat het griffierechtstelsel (artikel 8:41 Awb) toelaatbaar is. De tekst van de uitspraak is onvolledig weergegeven, waardoor de definitieve beslissing van de Hoge Raad niet volledig kan worden vastgesteld; op basis van de beschikbare overwegingen lijkt de Hoge Raad de vraag te behandelen of een griffierecht van 28,8% van het financieel belang in strijd is met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.
Impactscore
HoogDe Hoge Raad beoordeelt hier een structureel aspect van het Nederlandse griffierechtstelsel in het licht van Unierechtelijke vereisten; een richtinggevend oordeel hierover kan het stelsel van artikel 8:41 Awb wezenlijk beïnvloeden, zij het dat de impact afhankelijk is van de volledige, niet beschikbare beslissing.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht van 28,8% van het betwiste bedrag wordt door belanghebbende gekwalificeerd als disproportioneel en in strijd met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel (arrest Kantarev).
- 2De Rechtbank oordeelde dat zij niet verplicht was prejudiciële vragen te stellen ex artikel 267 VWEU en verklaarde het verzet ongegrond.
- 3Het verzoek om immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de uitspraak op verzet binnen anderhalf jaar na het instellen van beroep werd gedaan.
- 4De Hoge Raad toetst of vaste griffierechten als voorwaarde voor toegang tot de rechter het recht op beroep 'uiterst moeilijk' maken in de zin van Unierechtelijke rechtspraak.
- 5De terugbetaling van griffierecht bij gegrond beroep (zonder rentevergoeding) wordt door het middel niet als voldoende effectieve remedie beschouwd.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze zaak raakt fundamenteel de verhouding tussen het nationale griffierechtstelsel (artikel 8:41 Awb) en het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel; een oordeel van de Hoge Raad hierover heeft potentieel verstrekkende gevolgen voor de toelaatbaarheid van (hoge) vaste griffierechten in belastingzaken met een laag financieel belang. Omdat de uitspraak onvolledig is weergegeven, kan de precieze rechtsregel niet volledig worden bepaald.
Praktische impact
Belastingplichtigen met een relatief gering financieel belang in een procedure kunnen worden geconfronteerd met griffierechten die een aanzienlijk deel van dat belang uitmaken, wat hen feitelijk kan weerhouden van het instellen van beroep. Een uitspraak ten voordele van belanghebbende zou kunnen leiden tot aanpassing van het griffierechtstelsel of tot rechterlijke toetsing van de proportionaliteit per geval.
Onderwerp-impact
In belastingzaken waarbij het financieel belang gering is, kan het vaste griffierecht een reële drempel vormen voor rechtsbescherming; dit raakt direct aan de toegankelijkheid van de belastingrechter voor burgers en ondernemers.
Samenvatting
In deze zaak bij de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2026:915) staat centraal de vraag of het heffen van een vast griffierecht als voorwaarde voor toegang tot de belastingrechter in strijd kan zijn met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel, zoals neergelegd in de rechtspraak van het Hof van Justitie — in het bijzonder het arrest Kantarev. De achtergrond is als volgt: een belastingplichtige (belanghebbende) diende beroep in bij de Rechtbank en moest daarvoor griffierecht betalen dat 28,8% bedroeg van het financieel belang dat in de procedure op het spel stond. Belanghebbende betoogde dat dit percentage ruimschoots de drempel van 4% overstijgt die in het arrest Kantarev als maatstaf is aangemerkt voor een 'belangrijk obstakel' voor de uitoefening van het recht op beroep. De Rechtbank verwierp dit betoog: zij zag geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie ex artikel 267 VWEU en verklaarde het verzet ongegrond bij uitspraak van 31 juli 2025. Daarnaast wees de Rechtbank het verzoek om immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, nu de uitspraak op verzet binnen anderhalf jaar na het instellen van het beroep (op 2 februari 2024) was gedaan — conform de maatstaven uit HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:352. Voor de Hoge Raad richt middel I zich tegen deze oordelen van de Rechtbank. Betoogd wordt dat artikel 8:41 Awb in gevallen als het onderhavige geen daadwerkelijk effectieve rechtsgang biedt, nu terugbetaling bij gegrond beroep bovendien zonder rentevergoeding plaatsvindt. De volledige beslissing van de Hoge Raad is op basis van de beschikbare tekst niet volledig te reconstrueren, maar de zaak is van aanzienlijk belang voor de toegankelijkheid van de belastingrechter en de verhouding tussen nationaal griffierecht en Unierechtelijke rechtsbeschermingsvereisten.