Hoge Raad: bezwaar zonder betaling terecht niet-ontvankelijk
ECLI:NL:HR:2026:914, Hoge Raad, 12-06-2026, 24/03202
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; procesrecht; art. 22j en 26b AWR; art. 6:10 Awb; art. 52 , van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; voortijdig gemaakt bezwaar tegen voldoening op aangifte; ontvankelijkheid.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige diende bezwaar in tegen een bedrag dat hij op aangifte verschuldigd was, maar betaalde dit bedrag niet binnen de wettelijke betalingstermijn. De inspecteur verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk. Het Hof bevestigde dit oordeel, waarna belanghebbende cassatie instelde.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Doorslaggevend is dat wanneer het bedrag waartegen bezwaar is gemaakt niet tijdig op de rekening van de ontvanger wordt bijgeschreven, het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van een voorwerp van bezwaar.
Impactscore
MiddelHet arrest bevestigt en consolideert bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad uit 2010 zonder fundamenteel nieuwe rechtsregels te stellen; het heeft praktische betekenis voor de belastingpraktijk maar is niet richtinggevend in de zin van een koerswijziging.
Belangrijkste punten
- 1De bezwaartermijn bij voldoening op aangifte vangt aan op de dag na voldoening (art. 22j AWR); een bezwaar vóór betaling is prematuur ingediend.
- 2Art. 6:10 Awb (via art. 26 lid 2 AWR van overeenkomstige toepassing) voorkomt niet-ontvankelijkheid bij premature indiening mits de aangifte of betalingsopdracht al is gedaan.
- 3Indien het bedrag waartegen bezwaar is gemaakt niet tijdig wordt betaald, ontbreekt het voorwerp van het bezwaar en volgt alsnog niet-ontvankelijkheid.
- 4Het arrest van 28 juni 2013 over naheffing (art. 20 AWR) is niet van toepassing op de vraag welke besluiten vatbaar zijn voor bezwaar in het gesloten stelsel van de AWR.
- 5De AWR kent een gesloten stelsel van rechtsmiddelen; algemene bestuursrechtelijke regels gelden slechts voor zover de AWR daarnaar verwijst.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt en verduidelijkt de regels voor ontvankelijkheid van bezwaren bij voldoening op aangifte: niet-betaling binnen de betalingstermijn leidt tot niet-ontvankelijkheid wegens ontbreken van een bezwaarvoorwerp, ook al was het bezwaar op zichzelf tijdig of met toepassing van art. 6:10 Awb ontvankelijk. Dit arrest sluit aan bij eerdere jurisprudentie (HR 21 mei 2010) en consolideert bestaande rechtsleer.
Praktische impact
Belastingplichtigen die bezwaar willen maken tegen een op aangifte voldaan bedrag, moeten er zorg voor dragen dat zij het betreffende bedrag ook daadwerkelijk tijdig betalen; het louter indienen van een bezwaarschrift zonder betaling leidt tot niet-ontvankelijkheid en biedt geen rechtsbescherming.
Onderwerp-impact
Voor ondernemingen en particulieren die periodiek belasting op aangifte voldoen (zoals omzetbelasting of loonheffing) verduidelijkt dit arrest dat bezwaar en betaling onlosmakelijk verbonden zijn; strategisch bezwaar zonder betaling is juridisch kansloos.
Samenvatting
In deze belastingzaak stond centraal of bezwaren van een belastingplichtige tegen op aangifte verschuldigde bedragen terecht niet-ontvankelijk waren verklaard. De belastingplichtige had bezwaar ingediend voordat hij het bedrag daadwerkelijk had betaald, en heeft dit bedrag vervolgens ook niet binnen de wettelijke betalingstermijn van artikel 19 lid 1 AWR voldaan. Zowel de inspecteur als het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelden dat de bezwaren niet-ontvankelijk waren. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart het cassatieberoep ongegrond. De centrale rechtsregels die de Hoge Raad formuleert, sluiten nauw aan bij het arrest van 21 mei 2010. Ten eerste: de bezwaartermijn bij voldoening op aangifte begint op grond van artikel 22j AWR pas te lopen op de dag ná de voldoening. Een bezwaarschrift ingediend vóór de betaling is daarmee prematuur. Ten tweede: artikel 6:10 Awb, dat via artikel 26 lid 2 AWR van overeenkomstige toepassing is, kan niet-ontvankelijkheid bij premature indiening voorkomen, mits de aangifte is ingediend of de betalingsopdracht is verstrekt. Ten derde: indien het bedrag waartegen bezwaar is gemaakt vervolgens niet tijdig op de rekening van de ontvanger wordt bijgeschreven, moet het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van een voorwerp van bezwaar. Het beroep van belanghebbende op het arrest van 28 juni 2013 inzake naheffing slaagt niet, omdat dat arrest betrekking had op de mogelijkheid van naheffing ex artikel 20 AWR en geen betekenis heeft voor de vraag welke besluiten vatbaar zijn voor bezwaar binnen het gesloten stelsel van de AWR. Het arrest onderstreept dat bezwaar en betaling bij voldoening op aangifte onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: wie niet betaalt, heeft geen ontvankelijk bezwaar.