ECLI:NL:HR:2026:1613, Hoge Raad, 06-10-2026, 24/03921
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Profijtontneming, w.v.v. bestaande uit uitgaven die betrokkene heeft gedaan na veroordeling t.z.v. medeplegen witwassen in periode van 1-1-2011 tot en met 30-11-2011, aanwezig hebben van cocaïne op 30-11-2011 en medeplegen aanwezig hebben van hasj op 30-11-2011, art. 36e.3 Sr. Kon hof gelet op art. 1 Sr en art. 7 EVRM toepassing geven aan art. 36e.3 Sr zoals bepaling luidt sinds 1-7-2011, nu 1 van feiten waarop veroordeling berust die aan ontnemingsvordering ten grondslag ligt deels vóór die datum is begaan? In onderliggende strafzaak is betrokkene o.m. veroordeeld voor een op 30-11-2011 begaan strafbaar feit waarvoor geldboete van vijfde categorie kan worden opgelegd. ’s Hofs oordeel dat in zo’n geval art. 36e.3 Sr, zoals die bepaling luidt sinds 1-7-2011, kan worden toegepast, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting. Hier doet zich niet geval voor waarop art. 1.2 Sr en art. 7.1 EVRM zien, omdat art. 36e.3 Sr, in redactie zoals hof daaraan toepassing heeft gegeven, t.t.v. begaan van strafbaar feit op
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.