Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1169, Hoge Raad, 03-07-2026, 25/03826
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 oktober 2025. De griffier van de Hoge Raad sommeerde de belanghebbende het verschuldigde griffierecht te betalen, maar betaling bleef uit. Nadien werd de belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld te reageren, zonder dat hiervan gebruik werd gemaakt.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. De doorslaggevende reden is dat de belanghebbende het griffierecht niet heeft voldaan binnen de gestelde termijn en evenmin heeft gereageerd op de gelegenheid om een reden voor het uitblijven van betaling op te geven.
Impactscore
LaagHet betreft een puur procedurele niet-ontvankelijkverklaring wegens onbetaald griffierecht zonder inhoudelijke rechtsvragen; de uitkomst is routinematig en stelt geen nieuwe rechtsnormen.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht werd niet betaald binnen de door de griffier gestelde termijn van vier weken na aangetekende brief van 4 december 2025.
- 2De aangetekende brief is volgens PostNL Track&Trace afgeleverd op het opgegeven adres, waarmee ontvangst wordt aangenomen.
- 3Belanghebbende is via het digitale dossier en e-mail op 5 januari 2026 in de gelegenheid gesteld te reageren, maar heeft dit nagelaten.
- 4Op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb wordt het digitale bericht geacht ontvangen te zijn op de dag van plaatsing (5 januari 2026).
- 5De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de strikte toepassing van de griffierechtregeling in cassatieprocedures: niet-betaling leidt dwingend tot niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, zonder inhoudelijke beoordeling van het cassatieberoep. De Hoge Raad bevestigt hiermee de formele werking van digitale kennisgeving via het digitale dossier conform artikel 8:36c lid 2 Awb.
Praktische impact
Voor rechtzoekenden betekent dit dat tijdige betaling van griffierecht een harde processuele verplichting is; het nalaten hiervan, ook na een herstelgelegenheid, leidt onontkoombaar tot niet-ontvankelijkheid. Digitale kennisgevingen via het digitale dossier worden geacht ontvangen te zijn op de dag van plaatsing, wat snelle actie vereist.
Onderwerp-impact
Binnen het belastingrecht en het bestuursprocesrecht benadrukt deze uitspraak het belang van actieve opvolging van processuele verplichtingen en digitale communicatie met rechterlijke instanties.
Samenvatting
In deze cassatieprocedure bij de Hoge Raad ging het om een beroep in cassatie dat was ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 oktober 2025 (zaaknummer BK-24/922). De inhoudelijke achtergrond van het geschil blijkt niet uit de beschikbare tekst, maar het geding betrof vermoedelijk een belastingrechtelijke kwestie gelet op de verwijzing naar het hof en de procedurenummering. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op strikt procedurele gronden. De griffier van de Hoge Raad had de belanghebbende bij aangetekende brief van 4 december 2025 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht, met een betalingstermijn van vier weken. Uit de gegevens van PostNL Track&Trace bleek dat de brief was afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Betaling bleef evenwel uit. Op 5 januari 2026 plaatste de griffier een bericht in het digitale dossier van de belanghebbende, waarbij deze in de gelegenheid werd gesteld te verklaren waarom het griffierecht niet was voldaan. Tegelijkertijd werd een e-mailkennisgeving gestuurd naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres. Op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb neemt de Hoge Raad aan dat het bericht op diezelfde dag, 5 januari 2026, is ontvangen. Belanghebbende heeft van deze herstelmogelijkheid geen gebruik gemaakt. Gelet op het uitblijven van betaling én het niet reageren op de herstelgelegenheid, concludeerde de Hoge Raad dat het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Een proceskostenveroordeling achtte de Hoge Raad niet aan de orde. De uitspraak onderstreept dat de verplichting tot tijdige betaling van griffierecht een harde formele voorwaarde is voor ontvankelijkheid in cassatie, waarbij digitale kennisgeving rechtsgeldige werking heeft.