JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1138Laag22/100

Hoge Raad: geen immateriële schadevergoeding bij redelijke termijn niet overschreden

ECLI:NL:HR:2026:1138, Hoge Raad, 03-07-2026, 24/03198

Hoge RaadUitspraak: 3 juli 2026Publicatie: 2 juli 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:24/03198
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Schadevergoeding
Overheid
Redelijke Termijn
Hoger Beroep
Cassatie
Belastingprocedure

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Art. 8:73 Awb. Verzoek om immateriële schadevergoeding niet behandeld. Redelijke termijn niet overschreden.

Kern van de zaak

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen een hofuitspraak in een belastingzaak. Het hof had nagelaten te beslissen op een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase. Belanghebbende klaagde hierover in cassatie.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hoewel het hof ten onrechte heeft nagelaten te beslissen op het verzoek om immateriële schadevergoeding, leidt dit niet tot cassatie omdat de redelijke termijn van twee jaar in hoger beroep feitelijk niet is overschreden (augustus 2022 – juli 2024) en er dus geen recht op vergoeding bestaat.

22van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past geheel binnen de bestaande rechtspraak en voegt geen nieuwe rechtsregels toe; de Hoge Raad past de bekende maatstaven routinematig toe en verwerpt twee middelen via de korte motivering van art. 81 RO.

Belangrijkste punten

  • 1Het hof verzuimde te beslissen op een tijdig gedaan verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding — dit verzuim is door de Hoge Raad erkend.
  • 2De redelijke termijn van twee jaar voor de hogerberoepsfase is niet overschreden: hoger beroep liep van 10 augustus 2022 tot 3 juli 2024.
  • 3Omdat er geen feitelijke termijnoverschrijding was, bestaat er geen recht op immateriële schadevergoeding, zodat het verzuim van het hof geen cassatie rechtvaardigt.
  • 4Middelen 1 en 2 worden verworpen op grond van artikel 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie zonder nadere motivering.
  • 5Geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat een procesueel verzuim (niet beslissen op een verzoek) niet tot cassatie leidt als dat verzuim de belangen van de verzoeker feitelijk niet schaadt. De redelijke termijn van twee jaar in de hogerberoepsfase wordt opnieuw bevestigd als maatstaf.

Praktische impact

Belastingplichtigen die een verzoek om immateriële schadevergoeding indienen wegens termijnoverschrijding, kunnen dit niet met succes in cassatie afdwingen als de termijn materieel niet is overschreden, ook al heeft het hof het verzoek ten onrechte onbehandeld gelaten.

Onderwerp-impact

In belastingzaken bevestigt deze uitspraak dat de twee-jaarstermijn voor de hogerberoepsfase strikt wordt gehanteerd bij de beoordeling van verzoeken om immateriële schadevergoeding.

Samenvatting

In deze belastingzaak klaagde belanghebbende in cassatie over een uitspraak van het gerechtshof. Eén van de drie cassatiemiddelen richtte zich op het feit dat het hof had nagelaten te beslissen op een tijdig ingediend verzoek om vergoeding van immateriële schade. Dit verzoek had betrekking op een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase. De Hoge Raad stelt vast dat het derde middel terecht is voorgesteld: het hof heeft het verzoek inderdaad niet beoordeeld. Toch leidt dit niet tot vernietiging van de hofuitspraak. De Hoge Raad stelt immers vast dat de hogerberoepsprocedure aanving op 10 augustus 2022 (indiening hoger beroep) en eindigde op 3 juli 2024 (datum hofuitspraak), een periode van precies twee jaar. Daarmee is de redelijke termijn van twee jaar niet overschreden. Nu er geen termijnoverschrijding is, bestaat er geen aanspraak op immateriële schadevergoeding, waardoor het verzuim van het hof om op het verzoek te beslissen geen rechtsgevolgen heeft voor belanghebbende. De overige twee middelen worden verworpen op grond van artikel 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie: beantwoording is niet nodig voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak illustreert het beginsel dat een procesueel verzuim alleen tot cassatie kan leiden als dat verzuim de rechtsposities van partijen daadwerkelijk raakt, en bevestigt eens te meer de geldende twee-jaarstermijn als harde grens voor het recht op immateriële schadevergoeding wegens spanning en frustratie door langdurige belastingprocedures.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 14 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1261Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1261, Hoge Raad, 10-07-2026, 24/03361

Hoge Raad10 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1234Laag
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1234, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00131

Hoge Raad10 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
12/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1245Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1245, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00155

Hoge Raad10 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1270Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1270, Hoge Raad, 10-07-2026, 24/03379

Hoge Raad10 jul 2026Overheid
5/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied