Hoger beroep belastingplichtige over aanslag IB/PVV 2019 ongegrond
ECLI:NL:GHSHE:2026:947, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-04-2026, 24/1022
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Aan belanghebbende is een aanslag IB/PVV 2019 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd. In geschil is of de aanslag te hoog is vastgesteld. Niet in geschil is dat de zogeheten gebruikelijkloonregeling van artikel 12a Wet LB van toepassing is. Het hof overweegt dat belanghebbende geen aangifte IB/PVV 2019 heeft ingediend. Ook anderszins heeft ze geen door de inspecteur gevraagde informatie verstrekt. Dit maakt onder meer dat niet kan worden vastgesteld wat het eerste in artikel 12a, lid 1, Wet LB genoemde bedrag, namelijk 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, is. Daarmee is ook niet te bepalen wat het hoogste van de drie in artikel 12a, lid 1, Wet LB genoemde bedragen is. Dit komt voor rekening en risico van belanghebbende, aangezien op hem de bewijslast rust dat het gebruikelijk loon lager is dan € 45.000. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het gebruikelijk loon lager dan € 45.000 zou moeten zijn. Het feit dat belanghebbende in 2019 en aantal maanden in detentie heeft gezet is daarvoor onvoldoende. Verzuimboete is terecht opgelegd, geen avas. Beroep ongegrond. Bevestiging rechtbankuitspraak.
Kern van de zaak
Een enig aandeelhouder en bestuurder van een B.V. heeft hoger beroep ingesteld tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering (IB/PVV) 2019, inclusief belastingrente en een boete. Zowel bezwaar als beroep bij de rechtbank waren eerder ongegrond verklaard.
Beslissing van de rechter
Het hof heeft het hoger beroep behandeld; op basis van de beschikbare tekst is de uitkomst niet volledig zichtbaar, maar de procesgang wijst op bekrachtiging van de eerdere ongegrondverklaring. De doorslaggevende reden lijkt de vaststelling dat de aanslag, rente en boete terecht zijn opgelegd, mede gelet op het niet of te laat doen van aangifte ondanks uitnodiging, herinnering en aanmaning.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele belastingzaak zonder precedentwerking; de rechtsvragen zijn feitelijk van aard en er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld. De beschikbare tekst is bovendien onvolledig.
Belangrijkste punten
- 1Belanghebbende is enig aandeelhouder en bestuurder van een B.V. en ontving een aanslag IB/PVV 2019 met belastingrente en boete.
- 2De Belastingdienst heeft belanghebbende in 2020 en 2021 uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV 2019.
- 3Bezwaar en beroep bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant werden beide ongegrond verklaard.
- 4Het hof behandelde het hoger beroep op 27 februari 2026; de volledige motivering van de beslissing ontbreekt in de beschikbare tekst.
- 5Cassatie bij de Hoge Raad is mogelijk binnen zes weken na de uitspraakdatum van 8 april 2026.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak betreft een individueel geval van aanslagoplegging IB/PVV en stelt geen nieuwe rechtsnormen; de toepassing van de aangifte- en aanslagprocedure wordt bevestigd. De mogelijkheid van cassatie laat de definitieve rechtsontwikkeling open.
Praktische impact
Voor belanghebbende betekent dit dat de aanslag IB/PVV 2019, inclusief belastingrente en boete, vooralsnog in stand blijft. Betrokkene heeft nog de mogelijkheid cassatie in te stellen bij de Hoge Raad.
Onderwerp-impact
De zaak heeft beperkte sectorale impact en raakt primair de relatie tussen een DGA (directeur-grootaandeelhouder) en de Belastingdienst ten aanzien van aangifteverplichtingen in de inkomstenbelasting.
Samenvatting
In deze belastingzaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 8 april 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep van een particulier die tevens enig aandeelhouder en bestuurder is van een besloten vennootschap. De zaak draait om de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering (IB/PVV) voor het belastingjaar 2019, waarbij de Belastingdienst ook belastingrente in rekening heeft gebracht en een boete heeft opgelegd. Aan de oplegging van de aanslag ging een aangifteprocedure vooraf: de Belastingdienst heeft belanghebbende in februari 2020 uitgenodigd om aangifte te doen, gevolgd door een herinnering in juni 2021 en een aanmaning in augustus 2021. Nadat bezwaar bij de inspecteur ongegrond was verklaard, heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant in juni 2024 het beroep eveneens ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde vervolgens hoger beroep in bij het hof. De volledige beslissing en motivering van het hof zijn op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar, maar de procesgang en het feit dat beide eerdere instanties het standpunt van de inspecteur volgden, suggereren dat het hof de aanslag, de rente en de boete in stand heeft gelaten. De juridische kern van de zaak betreft de vraag of de aanslag en de daarmee samenhangende beschikkingen terecht en naar de juiste hoogte zijn vastgesteld, mede in het licht van de aangifteverplichting van de belastingplichtige. De zaak heeft beperkte precedentwerking en is feitelijk van aard. Tegen de uitspraak staat binnen zes weken cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Vanwege de onvolledigheid van de beschikbare uitspraaktekst dient voorzichtigheid te worden betracht bij definitieve conclusies over de precieze motivering van het hof.