Hof beoordeelt navorderingsaanslag over betwist liquidatieverlies en goodwill
ECLI:NL:GHSHE:2026:2264, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19-08-2026, 24/1184
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Navorderingsaanslag Vpb 2017. Belanghebbende maakte tot haar liquidatie in oktober 2017 onderdeel uit van een vennootschapsstructuur. Belanghebbende heeft aangifte Vpb 2017 gedaan onder horizontaal toezicht en daarbij geen winst ter zake van goodwill aangegeven. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag Vpb opgelegd tot het belastbaar bedrag plus de goodwill. Het hof oordeelt dat sprake is van een nieuw feit. De inspecteur heeft de door hem verdedigde waarde van de goodwill aannemelijk gemaakt door aan te sluiten bij de berekeningen binnen het concern ter zake van aandelentransacties tussen onafhankelijke partijen. Het hof is van oordeel dat de belastingrente niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel in rekening is gebracht. Het hof vermindert de belastingrente wegens het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026.
Kern van de zaak
Een vennootschapsbelastingplichtige groep betwist een navorderingsaanslag opgelegd door de inspecteur. In geschil is of een liquidatieverlies van circa €921.710 terecht is geclaimd en of de inspecteur een nieuw feit heeft voor navordering over een goodwillbedrag van €2.848.912 dat is opgeteld bij het aangegeven belastbaar bedrag.
Beslissing van de rechter
Op basis van de beschikbare tekst is de definitieve beslissing van het hof niet volledig weergegeven; de uitspraak beschrijft het geschil en de feiten, maar de eindbeslissing ontbreekt in het aangeleverde fragment. Het geschil betreft onder meer de vraag of de inspecteur beschikte over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en of de goodwillcorrectie van €2.848.912 terecht is toegepast.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk en casuïstisch belastinggeschil bij een gerechtshof zonder aanwijzingen voor fundamentele rechtsontwikkeling; de uitspraak is bovendien slechts gedeeltelijk beschikbaar, wat de beoordeling van de werkelijke reikwijdte bemoeilijkt.
Belangrijkste punten
- 1Navorderingsaanslag opgelegd tot een belastbaar bedrag van €3.098.909 (aangifte €249.997 + goodwill €2.848.912)
- 2Liquidatieverlies van €921.710 geclaimd in aangifte vennootschapsbelasting 2017 in verband met liquidatie van drie dochtervennootschappen
- 3Kernvraag is of de inspecteur een 'nieuw feit' had dat navordering rechtvaardigt (artikel 16 AWR)
- 4Extracomptabele vermogenscorrectie wegens onjuiste doorbelastingen erkend door voormalig werknemer belastingplichtige
- 5Complexe intercompany-structuur met kostenverdelingen en managementfees speelt centrale rol in de waarderingsdiscussie
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak raakt de voorwaarden voor navordering (nieuw feit-vereiste) en de fiscale behandeling van liquidatieverliezen en goodwillwaarderingen in een groepsstructuur. De beslissing kan richting geven aan de bewijslastverdeling bij navorderingsaanslagen waarbij de inspecteur zich baseert op later verkregen informatie over intercompany-transacties.
Praktische impact
Voor de belastingplichtige groep staat een aanzienlijke belastingclaim van ruim €3 miljoen ter discussie; een gegrondverklaring van het beroep zou leiden tot vermindering of vernietiging van de navorderingsaanslag. Voor adviseurs benadrukt de zaak het belang van transparante documentatie bij complexe intercompany-structuren en liquidaties.
Onderwerp-impact
In het kader van herstructureringen en liquidaties van groepsvennootschappen onderstreept deze zaak de risico's van onjuiste of onvoldoende onderbouwde doorbelastingen en de kwetsbaarheid voor naheffingen als de fiscus achteraf aanvullende informatie verkrijgt.
Samenvatting
Deze zaak bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch draait om een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2017, opgelegd aan een groepsvennootschap. De groep had in haar aangifte een liquidatieverlies van ongeveer €921.710 opgevoerd in verband met de ontbinding van drie dochtervennootschappen. De inspecteur accepteerde dit verlies niet zonder meer en legde na onderzoek een navorderingsaanslag op tot een belastbaar bedrag van ruim €3 miljoen, waarbij naast het aangegeven bedrag van €249.997 een goodwillcorrectie van €2.848.912 werd toegevoegd. De goodwillcorrectie vloeit voort uit de constatering dat de intercompany-doorbelastingen binnen de groepsstructuur onjuist waren, waardoor de waarde van de aandelen in de dochtervennootschappen niet correct werd weergegeven. Dit werd bevestigd door een voormalig werknemer die aangaf dat een extracomptabele vermogenscorrectie was doorgevoerd om de onjuiste doorbelastingen te compenseren. De centrale juridische vraag is of de inspecteur beschikte over een 'nieuw feit' in de zin van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dat navordering rechtvaardigt. Daarnaast is de hoogte van de goodwillcorrectie en de fiscale kwalificatie van het liquidatieverlies in geschil. De structuur van de groep was complex: meerdere aandeelhouders opereerden via dochtervennootschappen maar maakten gebruik van de infrastructuur van de moedermaatschappij, waarbij kostenverdeling plaatsvond op basis van ingewikkelde formules. De volledige uitspraak is in het aangeleverde fragment niet beschikbaar, waardoor de definitieve beslissing van het hof niet met zekerheid kan worden vastgesteld. De zaak illustreert de risico's van complexe intercompany-verhoudingen bij groepsliquidaties en het belang van adequate documentatie voor fiscale doeleinden.