JurispRadar
ECLI:NL:GHSHE:2026:1936Laag28/100

Hof verklaart hoger beroep bpm-naheffing niet-ontvankelijk wegens verkeerde procespartij

ECLI:NL:GHSHE:2026:1936, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22-07-2026, 24/1171

Gerechtshof 's-HertogenboschUitspraak: 22 juli 2026Publicatie: 22 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:24/1171
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Transport
Niet Ontvankelijkheid
Naheffingsaanslag
Bpm
Procespartij
Artikel 26a Awr

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag BPM ontvangen en maakt bezwaar. Na ontvangst van de uitspraak op bezwaar stelt de gemachtigde van belanghebbende per abuis beroep in namens een andere persoon. De rechtbank heeft dit beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze andere persoon niet gerechtigd was om beroep in te stellen. Belanghebbende gaat in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Het hof oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is.

Kern van de zaak

De inspecteur legde een naheffingsaanslag bpm op aan [naam] h.o.d.n. [bedrijf 1]. Bezwaar en beroep werden echter (per abuis) ingesteld namens [belanghebbende], die niet de geadresseerde van de aanslag was. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk; belanghebbende tekende hoger beroep aan.

Beslissing van de rechter

Het hof behandelt het door belanghebbende ingestelde rechtsmiddel (aangeduid als verzet) als hoger beroep. De rechtbank had het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat de identiteit van de werkelijke procespartij niet binnen de beroepstermijn kenbaar was gemaakt en een niet-kennelijke vergissing over de procespartij niet herstelbaar is.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past binnen bestaande, vaste rechtspraak over ontvankelijkheidsvereisten en de niet-herstelbaarheid van niet-kennelijke vergissingen; er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld en de zaak heeft beperkte precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1Naheffingsaanslag bpm van € 2.139 was opgelegd aan [naam] h.o.d.n. [bedrijf 1], niet aan [belanghebbende]
  • 2Bezwaar en beroep werden ten onrechte (per abuis) op naam van [belanghebbende] ingesteld
  • 3Op grond van artikel 26a AWR kan alleen de belastingplichtige zelf bezwaar en beroep instellen
  • 4Een niet-kennelijke vergissing over de identiteit van de procespartij is geen herstelbaar verzuim
  • 5De identiteit van degene namens wie beroep wordt ingesteld, moet vóór afloop van de beroepstermijn kenbaar zijn

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat bij belastinggeschillen de identiteit van de procespartij tijdig en ondubbelzinnig moet vaststaan; een niet-kennelijke vergissing over wie procedeert kan niet worden hersteld na afloop van de beroepstermijn.

Praktische impact

Gemachtigden in belastingzaken moeten bij het indienen van bezwaar- en beroepschriften nauwkeurig controleren of het stuk op naam van de juiste (belasting)plichtige wordt ingediend, omdat een vergissing in de partijidentiteit fatale processuele gevolgen heeft.

Onderwerp-impact

In de bpm-praktijk onderstreept dit de noodzaak van correcte procesvertegenwoordiging; met name bij autohandelaren die op eigen naam of onder handelsnaam opereren kunnen verwarring over de juiste procespartij snel ontstaan.

Samenvatting

In deze belastingzaak staat centraal de vraag of een beroep ontvankelijk is wanneer het per abuis is ingesteld namens de verkeerde persoon. De inspecteur had op 22 april 2022 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) van € 2.139 opgelegd aan [naam], handelend onder de naam [bedrijf 1]. De gemachtigde maakte vervolgens bezwaar en stelde beroep in, maar deed dit — kennelijk door een vergissing — op naam van [belanghebbende] in plaats van op naam van de daadwerkelijke belastingplichtige [naam]. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, omdat [belanghebbende] op grond van artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) niet behoort tot degenen die bezwaar en beroep kunnen instellen tegen deze naheffingsaanslag. Het subsidiaire betoog van de gemachtigde dat het stuk per abuis op de verkeerde naam was ingediend, werd verworpen: een dergelijke niet-kennelijke vergissing over de identiteit van de procespartij is geen herstelbaar verzuim. Vaste rechtspraak vereist immers dat de identiteit van degene namens wie beroep wordt ingesteld, vóór het verstrijken van de beroepstermijn kenbaar is. Belanghebbende tekende tegen het rechtbankvonnis een rechtsmiddel aan, dat hij aanduidde als verzet. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch merkte dit stuk aan als hoger beroepschrift en nam de zaak in behandeling. Na zitting op 17 juni 2026 bevestigde het hof de niet-ontvankelijkheid. De uitspraak illustreert het belang van zorgvuldige procesvoering bij belastinggeschillen: gemachtigden dienen tijdig en correct te vermelden namens wie zij procederen, bij gebreke waarvan een onherstelbaar processueel gebrek ontstaat.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 16 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1465Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1465, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01140

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1455Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1455, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00281

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1469Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1469, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00999

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
12/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied