Hof: renteverzoeken box 3 zijn beschikkingen, beroep deels ontvankelijk
ECLI:NL:GHSHE:2026:1540, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-06-2026, 25/1174 tot en met 25/1177
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Beslissing op een verzoek om rentevergoeding na schending van EVRM en art. 1 EP EVRM is een ingevolge de belastingwet genomen beslissing waartegen geen rechtsmiddel open staat
Kern van de zaak
Belanghebbende verzocht de inspecteur om rentevergoeding in het kader van box 3-heffing en vroeg daarnaast een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde alle beroepen niet-ontvankelijk omdat de verzoeken geen beschikkingen op aanvraag zouden zijn. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Beslissing van de rechter
Het hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat de beslissingen van de inspecteur op de renteverzoeken wél beschikkingen op aanvraag zijn in de zin van art. 1:3 Awb. Ten aanzien van de dwangsom en overige onderdelen sluit het hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat beroep niet openstaat; de uitkomst voor de meeste onderdelen blijft niet-ontvankelijkheid.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft betekenis voor box 3-belastingplichtigen en sluit aan bij een recent Hoge Raad-arrest, maar betreft een gerechtshof-uitspraak van beperkte reikwijdte die sterk afhankelijk is van de specifieke feitelijke context.
Belangrijkste punten
- 1Renteverzoeken aan de inspecteur kwalificeren als beschikkingen op aanvraag (art. 1:3 Awb), anders dan de rechtbank oordeelde.
- 2Het hof verwijst naar HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:756 inzake rentevergoeding bij box 3-heffing als dragend precedent.
- 3De dwangsom (art. 4:17 Awb) is alleen verschuldigd bij niet-tijdig beslissen op een beschikking op aanvraag; voor niet-beschikkingen staat daartegen geen bezwaar/beroep open.
- 4De inspecteur heeft niet gehandeld in strijd met art. 8:42 lid 1 Awb (overlegging stukken), omdat de gevraagde stukken niet relevant zijn voor de beslechting van het geschil.
- 5Voor vervangende vergoedingen waarbij de bestuursrechter niet bevoegd is, is de civiele rechter als restrechter aangewezen.
Impactanalyse
Juridische impact
Het hof verduidelijkt dat renteverzoeken bij de inspecteur in box 3-zaken beschikkingen op aanvraag zijn, hetgeen de weg naar bezwaar en beroep opent en aansluit bij HR 2024:756. Dit nuanceert eerdere lagere rechtspraak die dergelijke verzoeken niet als beschikking kwalificeerde.
Praktische impact
Belastingplichtigen die een rentevergoeding vragen in box 3-kwesties kunnen voortaan rechtsmiddelen aanwenden tegen een afwijzende beslissing van de inspecteur; het griffierecht en proceskosten worden in dit geval niet vergoed nu de overige beroepsonderdelen niet-ontvankelijk blijven.
Onderwerp-impact
Voor box 3-procedures vergroot deze uitspraak de rechtsbescherming van belastingplichtigen bij renteverzoeken en biedt het een concrete houvast voor de kwalificatie van dergelijke verzoeken als beschikking.
Samenvatting
In deze hoger-beroepsprocedure bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch stond de vraag centraal of de beslissingen van de Belastingdienst op verzoeken om rentevergoeding in box 3-zaken kunnen worden aangemerkt als beschikkingen op aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, en of daartegen bezwaar en beroep openstaat. De rechtbank Zeeland-West-Brabant had eerder alle beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij de verzoeken om rentevergoeding niet kwalificeerde als beschikkingen op aanvraag. Daarnaast achtte de rechtbank ook het beroep tegen het niet toekennen van een dwangsom niet-ontvankelijk, omdat een dwangsom enkel wordt verbeurd bij het niet-tijdig nemen van een beschikking op aanvraag. Het hof volgt de rechtbank niet op het punt van de renteverzoeken. Naar het oordeel van het hof zijn de beslissingen van de inspecteur op de renteverzoeken schriftelijke beslissingen van een bestuursorgaan die een publiekrechtelijke rechtshandeling inhouden en niet van algemene strekking zijn. Daarmee voldoen zij aan de definitie van beschikking in art. 1:3 Awb. Het hof steunt hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:756), waarin is verduidelijkt hoe omgegaan moet worden met rentevergoeding bij box 3-heffing. Op de overige punten – de dwangsom en de niet-tijdige beslissing op de verzoekschriften – volgt het hof het oordeel van de rechtbank en verklaart het de beroepen niet-ontvankelijk. Het verzoek om overlegging van aanvullende stukken op grond van art. 8:42 Awb wordt afgewezen, nu deze stukken niet relevant zijn voor de beslechting van het geschil. Voor zover belanghebbende vervangende vergoedingen wenst waarvoor de bestuursrechter niet bevoegd is, wordt hij verwezen naar de civiele rechter als restrechter. Griffierecht en proceskosten worden niet vergoed.