BPM-afschrijving auto afgewezen wegens onvoldoende bewijs correctiefactoren
ECLI:NL:GHSHE:2026:1436, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 03-06-2026, 25/1101
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bpm. Verwijzingsuitspraak na HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:859. Bepaling handelsinkoopwaarde via taxatiemethode en gebruik van koerslijst Eurotaxglass’s. Geen correctie voor markt- en dealersituatie. Belanghebbende maakt andersluidend beleid van de inspecteur niet aannemelijk. Beroep op koerslijstmethode (Eurotaxglass’s) of taxatiemethode met koerslijst X-Ray wordt eveneens verworpen, omdat de auto’s in de koerslijsten een CO2-uitstoot hebben van 248 gr/km en de auto een uitstoot heeft van 282 gr/km. Dit verschil is zowel relatief als absoluut fors. Het hof acht aannemelijk dat dit verschil zijn oorzaak vindt in CO2-verhogende opties en dat dit invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. Belanghebbende heeft de door hem verdedigde waardevermindering daarom niet aannemelijk gemaakt.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) bestrijdt de door de inspecteur gehanteerde BPM-heffing bij registratie van een auto. Zij stelt recht te hebben op correctiefactoren bij de taxatiemethode en/of toepassing van de koerslijstmethode (Eurotaxglass's) met correcties voor markt- en dealersituatie en afwijkende CO2-uitstoot.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de beroepen van belanghebbende af. Doorslaggevend is dat zij er niet in is geslaagd het bestaan van een beleidsregel inzake correctiefactoren aannemelijk te maken, en evenmin heeft aangetoond dat de afwijkende CO2-uitstoot (282 gr/km vs. 248 gr/km) niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde.
Impactscore
LaagDe uitspraak past de bestaande bewijslastverdeling toe conform recente Hoge Raad-rechtspraak en bevat geen nieuwe rechtsnormen; de betekenis is voornamelijk casuïstisch van aard.
Belangrijkste punten
- 1Bij de taxatiemethode hoeft de inspecteur correctiefactoren niet ambtshalve toe te passen (HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310).
- 2Belanghebbende heeft het gestelde beleid van de inspecteur omtrent correctiefactoren niet aannemelijk gemaakt bij gebrek aan onderbouwende stukken.
- 3Bij de koerslijstmethode rust de bewijslast op de belastingplichtige wanneer de inspecteur de verdedigde waardevermindering gemotiveerd betwist.
- 4Een afwijkende CO2-uitstoot (282 gr/km versus de in de koerslijst opgenomen 248 gr/km) maakt de auto niet rechtstreeks vergelijkbaar met het koerslijstvoertuig.
- 5Belanghebbende is er niet in geslaagd te bewijzen dat de hogere CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en daarmee een lager afschrijvingspercentage.
Impactanalyse
Juridische impact
Het arrest bevestigt de bewijslastverdeling bij BPM-geschillen: wie correcties op de koerslijstwaarde of taxatiewaarde claimt, dient deze zelf aannemelijk te maken, conform HR 7 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:310). De uitspraak versterkt de lijn dat CO2-uitstootverschillen een relevante factor zijn bij de bepaling van de handelsinkoopwaarde.
Praktische impact
Belastingplichtigen die bij BPM-registratie een beroep doen op correctiefactoren of afwijkende koerslijstvoertuigen, moeten concrete en onderbouwde bewijsstukken overleggen; een blote stelling of verwijzing naar verondersteld beleid is onvoldoende.
Onderwerp-impact
Voor de autobranche en importeurs betekent dit dat afwijkingen in technische specificaties (zoals CO2-uitstoot) zorgvuldig moeten worden gedocumenteerd en vertaald naar marktwaarde-effecten bij BPM-aangiften.
Samenvatting
In deze BPM-zaak oordeelde het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 3 juni 2026 over de verschuldigde belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) bij de registratie van een auto met een CO2-uitstoot van 282 gr/km. Belanghebbende bestreed de door de inspecteur vastgestelde BPM-heffing via twee sporen: primair via de taxatiemethode met toepassing van correctiefactoren, subsidiair via de koerslijstmethode (Eurotaxglass's) met correcties voor markt- en dealersituatie en de afwijkende CO2-uitstoot. Ten aanzien van de taxatiemethode stelde belanghebbende dat de inspecteur beleid hanteerde waarbij correctiefactoren op de koerslijstwaarde werden toegestaan. Het hof verwierp dit betoog. Allereerst volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:310) dat de inspecteur dergelijke correctiefactoren niet ambtshalve hoeft toe te passen. Bovendien heeft belanghebbende het gestelde beleid niet aannemelijk gemaakt, nu zij geen onderbouwende stukken heeft overgelegd. Ten aanzien van de koerslijstmethode speelde het probleem dat de auto in de koerslijst een CO2-uitstoot van 248 gr/km heeft, terwijl de te registreren auto 282 gr/km uitstoot. Het hof oordeelde dat wanneer de inspecteur de door belastingplichtige verdedigde waardevermindering gemotiveerd betwist, de bewijslast bij de belastingplichtige ligt. Belanghebbende diende dus aan te tonen dat de hogere CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en daarmee een lager afschrijvingspercentage. Zij slaagde daar niet in. Het hof wees beide standpunten van belanghebbende af. De uitspraak bevestigt de strikte bewijslastverdeling in BPM-procedures en onderstreept dat technische verschillen tussen voertuigen – zoals CO2-uitstoot – een relevante waardebepalende factor zijn die de belastingplichtige zelf moet onderbouwen met concrete gegevens.