Naheffingsaanslag BPM verminderd na verwijzing Hoge Raad
ECLI:NL:GHSHE:2026:1431, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 03-06-2026, 25/1100
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bpm. Verwijzingsuitspraak na HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:856. Bepaling handelsinkoopwaarde via taxatiemethode en gebruik van koerslijst Eurotaxglass’s. Geen correctie voor markt- en dealersituatie. Belanghebbende maakt andersluidend beleid van de inspecteur niet aannemelijk.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) en de inspecteur twistten over de hoogte van een naheffingsaanslag BPM waarbij de taxatiemethode met Eurotaxglass's koerslijstwaarde werd toegepast. Na eerdere procedures bij rechtbank, hof Arnhem-Leeuwarden en de Hoge Raad werd de zaak verwezen naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. In geschil was of correctiefactoren op de koerslijstwaarde toegepast dienden te worden.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond verklaard en dat van belanghebbende ongegrond; de naheffingsaanslag BPM wordt vastgesteld op € 2.177. Doorslaggevend is dat belanghebbende het bestaan van beleid waarbij correctiefactoren standaard werden toegestaan niet aannemelijk heeft gemaakt, en conform het arrest HR 7 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:310) de inspecteur de correctiefactoren niet uit eigen beweging hoeft toe te passen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past de reeds door de Hoge Raad in 2025 gestelde regel toe in een individuele verwijzingszaak en voegt geen nieuwe rechtsnorm toe, maar is wel relevant voor de BPM-praktijk vanwege de bevestiging van de bewijslastverdeling bij de taxatiemethode.
Belangrijkste punten
- 1De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2025:310 dat de inspecteur bij toepassing van de taxatiemethode correctiefactoren op de Eurotaxglass's koerslijstwaarde niet ambtshalve hoeft toe te passen.
- 2Belanghebbende heeft na verwijzing erkend geen gegevens of argumenten paraat te hebben om de correctiefactoren aannemelijk te maken.
- 3Het beroep op door de inspecteur gehanteerd beleid waarbij correctiefactoren wel werden toegestaan, is niet aannemelijk gemaakt wegens het ontbreken van onderbouwende stukken.
- 4De naheffingsaanslag BPM wordt conform de overeenstemming van partijen vastgesteld op € 2.177, met dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente.
- 5De door de rechtbank vastgestelde proceskostenvergoeding voor de eerste aanleg blijft in stand; voor de fase van hoger beroep is geen proceskostenvergoeding toegekend.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de lijn van HR 7 maart 2025 dat bij de taxatiemethode voor BPM de bewijslast voor correctiefactoren volledig bij de belastingplichtige ligt en de inspecteur deze niet ambtshalve hoeft toe te passen. Dit verduidelijkt de bewijslastverdeling in BPM-zaken na verwijzing.
Praktische impact
Importeurs en belastingplichtigen die BPM via de taxatiemethode berekenen, moeten zelf het bewijs voor toepassing van correctiefactoren (zoals handelaarsinkoop- of afschrijvingscorrecties) proactief aanleveren; zij kunnen niet leunen op een verondersteld beleid van de Belastingdienst zonder dat dit beleid aantoonbaar is.
Onderwerp-impact
Voor de BPM-praktijk (motorrijtuigenbelasting bij invoer) heeft deze uitspraak directe consequenties: belastingplichtigen dienen bij taxatiezaken hun correctiefactoren met concrete onderbouwing te documenteren en in te brengen.
Samenvatting
In deze verwijzingszaak na cassatie heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch geoordeeld over de naheffingsaanslag BPM die was opgelegd aan een belastingplichtige (importeur). De centrale vraag na verwijzing betrof de toepassing van correctiefactoren op de koerslijstwaarde van Eurotaxglass's binnen de taxatiemethode voor BPM. De belastingplichtige stelde dat de inspecteur beleid hanteerde waarbij dergelijke correctiefactoren standaard werden toegestaan, maar kon dit niet met stukken onderbouwen. De inspecteur ontkende het bestaan van zulk beleid. Het hof oordeelde dat de belastingplichtige het gestelde beleid niet aannemelijk had gemaakt en verwees daarbij naar het richtinggevende arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:310), waarin is bepaald dat de inspecteur bij toepassing van de taxatiemethode de correctiefactoren niet ambtshalve hoeft toe te passen. Nu de belastingplichtige zelf ook erkende geen gegevens of argumenten paraat te hebben waarmee de correctiefactoren aannemelijk konden worden gemaakt, falen beide gronden. Op basis van de resterende overeenstemming tussen partijen wordt de naheffingsaanslag BPM vastgesteld op € 2.177, met dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente. Het hoger beroep van de inspecteur wordt gegrond verklaard; dat van de belastingplichtige ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding in de fase van hoger beroep, maar de door de rechtbank eerder toegekende proceskostenvergoeding voor de eerste aanleg blijft in stand, evenals de door de Hoge Raad in stand gelaten vergoeding van bezwaarkosten. De uitspraak illustreert dat na cassatie en verwijzing de bewijslast voor correctiefactoren bij de belastingplichtige rust en dat een beroep op niet-aangetoond beleid van de Belastingdienst onvoldoende is.