Hoger beroep belastingplichtige ongegrond na ambtshalve vermindering afgewezen
ECLI:NL:GHSHE:2026:1355, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27-05-2026, 24/1244
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Verzoek om ambtshalve vermindering aanslag IB/PVV. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een saldo van een spaarrekening die valt onder het begrip vermogen in box 3 in plaats van een uitkering van een lijfrentekapitaal dat is belast in box 1 en de aanslag om die reden te hoog is vastgesteld. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering terecht afgewezen. Hoger beroep ongegrond.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2020, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur behandelde het alsnog als verzoek om ambtshalve vermindering en wees dit af. Na ongegrondverklaring van het beroep bij de rechtbank stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Beslissing van de rechter
Het hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard. De doorslaggevende reden is niet volledig kenbaar uit de beschikbare tekst, maar de procedure verliep langs de lijnen van afwijzing van ambtshalve vermindering en niet-ontvankelijkheid van het oorspronkelijke bezwaar.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke belastingprocedure over IB/PVV 2020 zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is in lijn met bestaande jurisprudentie over niet-ontvankelijkheid en ambtshalve vermindering. De uitspraak is bovendien slechts gedeeltelijk beschikbaar.
Belangrijkste punten
- 1Het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2020 werd niet-ontvankelijk verklaard door de inspecteur
- 2Het bezwaar werd ambtshalve behandeld als verzoek om vermindering en afgewezen
- 3Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep ongegrond
- 4Belanghebbende is niet verschenen ter zitting van het hof op 11 februari 2026
- 5Het hoger beroep werd ongegrond verklaard door Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de lijn dat een niet-ontvankelijk bezwaar via ambtshalve vermindering kan worden beoordeeld, maar dat afwijzing daarvan standhoudend kan zijn. Cassatie bij de Hoge Raad blijft mogelijk binnen zes weken.
Praktische impact
Belanghebbende krijgt geen vermindering van de aanslag IB/PVV 2020 en draagt zelf de proceskosten; het niet verschijnen ter zitting heeft zijn procespositie mogelijk verzwakt.
Onderwerp-impact
Voor belastingplichtigen die een te laat bezwaar indienen, benadrukt deze zaak het belang van tijdige indiening en de beperkte mogelijkheden van ambtshalve vermindering als vangnet.
Samenvatting
In deze belastingzaak had een particulier bezwaar gemaakt tegen zijn aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2020. De inspecteur van de Belastingdienst verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk, vermoedelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Omdat de inspecteur het bezwaar toch inhoudelijk heeft bekeken, werd het tevens behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag. Dit verzoek werd eveneens afgewezen. Vervolgens maakte belanghebbende opnieuw bezwaar tegen de weigering tot ambtshalve herziening, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigde dit oordeel en verklaarde het ingestelde beroep ongegrond. In hoger beroep bij Gerechtshof 's-Hertogenbosch herhaalde zich dit patroon. Opvallend is dat belanghebbende niet is verschenen ter zitting van 11 februari 2026, ondanks behoorlijke oproeping per aangetekende en gewone post. Het hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard. De volledige motivering van het hof is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar, maar de uitkomst is consistent met de eerder ingenomen standpunten van de inspecteur en de rechtbank. De zaak illustreert de beperkte rechtsbescherming die resteert wanneer een bezwaar niet-ontvankelijk is en ambtshalve vermindering wordt geweigerd. Tegen de uitspraak staat binnen zes weken nog cassatie open bij de Hoge Raad. De juridische impact van deze uitspraak is beperkt tot de individuele casus en stelt geen nieuwe rechtsnormen.