Verliesgevende onderneming niet aangemerkt als bron van inkomen
ECLI:NL:GHSHE:2026:1347, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27-05-2026, 22/1150
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belanghebbende stelt dat hij in 2017 een bron van inkomen heeft. Hij investeerde in een webshop en werd geconfronteerd met onvoorziene omstandigheden. Het hof oordeelt dat belanghebbende, bij structurele verliezen, niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake was van een objectieve voordeelsverwachting. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt vanwege het ontbreken van rechtens en feitelijk gelijke gevallen. Hoger beroep ongegrond.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige ging in hoger beroep tegen de belastingdienst over de vraag of zijn verliesgevende ondernemingsactiviteiten in 2017 kwalificeren als een bron van inkomen. De inspecteur weigerde de verliezen in aftrek toe te laten omdat structurele winstgevendheid ontbrak.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de activiteiten worden niet aangemerkt als bron van inkomen. Doorslaggevend is dat de belastingplichtige er niet in slaagde aannemelijk te maken dat naar maatschappelijke opvattingen redelijkerwijs voordeel kon worden verwacht, nu hij geen concreet perspectief op toekomstige winstgevendheid heeft geschetst.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande, vaste rechtspraak toe zonder nieuwe rechtsregels te introduceren; de relevantie is beperkt tot de specifieke feitelijke situatie van de belastingplichtige.
Belangrijkste punten
- 1Een bron van inkomen vereist drie cumulatieve voorwaarden: deelname aan het economische verkeer, subjectief voordeel beogen én objectief redelijkerwijs te verwachten voordeel.
- 2Bij aanhoudende negatieve resultaten rust de bewijslast op de belastingplichtige om aannemelijk te maken dat winst redelijkerwijs te verwachten is.
- 3Een beroep op privéomstandigheden (zoals ziekte) als verklaring voor de verliezen is onvoldoende zonder concreet onderbouwde prognose van toekomstige winstgevendheid.
- 4Feiten en omstandigheden uit andere jaren mogen worden betrokken bij de bronbeoordeling over het belastingjaar in kwestie.
- 5Indien structurele verliesgevendheid vaststaat zonder reëel winstzicht, ontbreekt de objectieve bronkwalificatie en zijn verliezen niet aftrekbaar.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste jurisprudentie over de drie-bronnentoets en benadrukt dat de bewijslast bij negatieve resultaten op de belastingplichtige rust om een concreet toekomstperspectief te onderbouwen. Dit biedt geen nieuwe rechtsregel, maar consolideert bestaande toepassing.
Praktische impact
Belastingplichtigen met verliesgevende activiteiten die privéomstandigheden aanvoeren als verklaring, dienen een concrete en onderbouwde toekomstprognose te overleggen om verliezen fiscaal in aftrek te kunnen brengen.
Onderwerp-impact
Voor ondernemers in een aanloopfase of met tijdelijke tegenslagen is het essentieel om documentatie bij te houden waaruit een realistisch winstzicht blijkt, bij gebreke waarvan de fiscus bronkwalificatie kan weigeren.
Samenvatting
In deze belastingzaak oordeelde het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over de vraag of de verliesgevende ondernemingsactiviteiten van een belastingplichtige in het jaar 2017 kwalificeren als een bron van inkomen in de zin van de inkomstenbelasting. De centrale juridische vraag was of werd voldaan aan het objectieve element van de bronnenleer: kan naar maatschappelijke opvattingen redelijkerwijs worden verwacht dat de activiteiten ooit winstgevend zullen worden? Volgens vaste jurisprudentie moet voor een bron van inkomen aan drie voorwaarden worden voldaan: deelname aan het economische verkeer, het subjectief beogen van geldelijk voordeel, en het objectief redelijkerwijs te verwachten zijn van dat voordeel. Niet in geschil was dat de belastingplichtige deelnam aan het economische verkeer en subjectief winst nastreefde. Het geschil spitste zich toe op het objectieve element. Het hof stelde vast dat de onderneming structureel verliesgevend was. Omdat de resultaten aanhoudend negatief waren, rustte op de belastingplichtige de bewijslast om aannemelijk te maken dat er desondanks een reële verwachting bestond dat de onderneming in de toekomst winstgevend zou worden. De belastingplichtige beriep zich op privéomstandigheden — waaronder ziekte — als verklaring voor de verliezen, maar slaagde er niet in om concreet te maken hoe de onderneming, los van deze omstandigheden, tot winstgevendheid zou kunnen komen. Het hof wees het hoger beroep af. Nu een objectief perspectief op winstgevendheid ontbreekt, is er geen sprake van een bron van inkomen en kunnen de geleden verliezen niet in aftrek worden gebracht. De uitspraak bevestigt de bestaande lijn in de fiscale rechtspraak en illustreert dat een beroep op persoonlijke tegenslagen alleen onvoldoende is zonder een onderbouwde toekomstvisie.