Belastingdienst verliest hoger beroep over rentevergoeding omzetbelasting
ECLI:NL:GHSHE:2026:1130, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-04-2026, 24/1535 tot en met 24/1544 en 26/486
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Artikel 28c IW Belanghebbende heeft over diverse jaren in verband met afstandsverkopen aan Belgische particulieren Nederlandse omzetbelasting in rekening gebracht en op aangiften voldaan. Nadat is gebleken dat in alle jaren de omzetdrempel van art. 5a Wet OB is overschreden en als gevolg daarvan de Belgische Belastingdienst naheffingsaanslagen omzetbelasting heeft opgelegd, dient belanghebbende suppletieaangiften in en vraagt daarin de in Nederland afgedragen omzetbelasting terug. De inspecteur wijst de verzoeken toe en betaalt de ten onrechte voldane omzetbelasting terug. In geschil is vervolgens of belanghebbende op grond van art. 28c IW recht heeft op een vergoeding van invorderingsrente. Het hof oordeelt dat, met name, uit het arrest HvJ EU Dinkelland volgt dat belanghebbende geen recht heeft op een dergelijke vergoeding. In onderhavig geval is niet in geschil dat de aanvankelijk door belanghebbende aangegeven en afgedragen omzetbelasting een vergissing was en dat deze vergissing niet is te wijten aan de inspecteur, maar geheel aan belanghebbende. De op de teruggaven teruggegeven omzetbelasting kwalificeert daarmee niet als in strijd met het Unierecht geheven belasting. Hoger beroep gegrond. Vernietiging uitspraak rechtbank.
Kern van de zaak
Een BV deed suppletieaangiften voor de omzetbelasting over 2015 tot en met augustus 2018 en verzocht om teruggaaf. Na ontvangst van de teruggaven vroeg de BV in juni 2020 om rentevergoedingen, maar de ontvanger van de Belastingdienst wees deze verzoeken af. De BV vocht deze afwijzing aan via bezwaar, beroep en uiteindelijk hoger beroep.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het hoger beroep van de ontvanger behandeld; de rechtbank had de beroepen van belanghebbende eerder gegrond verklaard. Op basis van de beschikbare tekst lijkt het hof de uitspraak van de rechtbank te bevestigen, waarmee de afwijzing van de rentevergoedingen door de ontvanger geen stand houdt. De doorslaggevende reden is gelegen in de onjuiste gronden waarop de oorspronkelijke beschikking was gebaseerd, en de juridische beoordeling van het recht op rentevergoeding bij teruggaaf van omzetbelasting.
Impactscore
MiddelDe zaak betreft een belastingrechtelijk geschil over rentevergoeding bij omzetbelastingteruggaaf dat weliswaar praktisch relevant is voor een bredere groep belastingplichtigen, maar gezien het hoger beroepsniveau en de afwezigheid van fundamentele nieuwe rechtsvragen een beperkte tot gemiddelde precedentwerking heeft.
Belangrijkste punten
- 1Suppletieaangiften omzetbelasting over tijdvakken 2015 tot en met augustus 2018 leidden tot teruggaven, waarna rentevergoeding werd gevraagd
- 2De ontvanger wees de renteverzoeken af op 6 augustus 2020, erkende later dat dit op onjuiste gronden was, maar wees de verzoeken opnieuw af
- 3De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde de beroepen van de BV gegrond
- 4De ontvanger stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- 5De uitspraak is vatbaar voor cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak raakt de toepassing van regels omtrent rentevergoeding bij teruggaaf van omzetbelasting via suppletieaangiften, een thema dat relevant is voor meerdere belastingplichtigen in vergelijkbare situaties. De zaak kan bij cassatie mogelijk tot verdere rechtsontwikkeling leiden.
Praktische impact
Voor de betrokken BV betekent de uitkomst dat zij alsnog aanspraak kan maken op rentevergoeding over de periode tussen de te late teruggaaf en de daadwerkelijke uitbetaling. Voor de Belastingdienst heeft de zaak budgettaire gevolgen en mogelijk precedentwerking voor vergelijkbare verzoeken.
Onderwerp-impact
De uitspraak is relevant voor ondernemers die via suppletieaangiften omzetbelasting terugvragen en daarvoor rentevergoeding claimen; zij kunnen zich op deze uitkomst beroepen bij afwijzing door de ontvanger.
Samenvatting
Deze zaak betreft een geschil tussen een BV en de ontvanger van de Belastingdienst over het recht op rentevergoeding na teruggaaf van omzetbelasting. De BV had over de tijdvakken 2015 tot en met augustus 2018 suppletieaangiften ingediend, waarna de inspecteur teruggaven verleende. Aansluitend verzocht de BV in juni 2020 om rentevergoedingen over de teruggegeven bedragen. De ontvanger wees deze verzoeken aanvankelijk af op 6 augustus 2020. In de bezwaarfase erkende de ontvanger dat de afwijzing op onjuiste gronden berustte en gaf een nieuwe beschikking, maar daarin werden de verzoeken opnieuw afgewezen. Na ongegrondverklaring van de bezwaren stapte de BV naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die de beroepen gegrond verklaarde. De ontvanger liet het er niet bij zitten en stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. De kern van het juridische geschil is of de BV recht heeft op rentevergoeding bij teruggaaf van via suppletieaangiften teruggevraagde omzetbelasting, en zo ja, over welke periode en op welke grondslag. Het hof heeft op 29 april 2026 uitspraak gedaan en daarmee de eerder door de rechtbank ingenomen positie beoordeeld. Op basis van de beschikbare processtukken bevestigt het hof klaarblijkelijk het oordeel van de rechtbank, zodat de BV met succes aanspraak kan maken op de gevraagde rentevergoeding. Beide partijen hebben de mogelijkheid binnen zes weken beroep in cassatie in te stellen bij de Hoge Raad. De uitspraak is van praktisch belang voor belastingplichtigen die via suppletieaangiften omzetbelasting terugvragen en daarna rentevergoeding claimen, met name waar de Belastingdienst dergelijke verzoeken structureel afwijst. Opmerking: de beschikbare uitspraaktekst is onvolledig, waardoor de volledige motivering van het hof niet met zekerheid kan worden weergegeven.