Hoger beroep vennootschapsbelasting 2019 ongegrond verklaard
ECLI:NL:GHSHE:2026:1081, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22-04-2026, 24/659
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Vennootschapsbelasting. Earningstrippingmaatregel. Belanghebbende is een factoringsmaatschappij binnen het concern. Zij neemt handelsvorderingen op derden over van groepsvennootschappen op non-recourse basis. De handelsvorderingen worden overgenomen tegen de nominale waarde minus een zogenoemde factoring fee. Het verschil tussen de aankoopprijs en de hetgeen op de vorderingen wordt voldaan, komt tot uitdrukking in het resultaat van belanghebbende. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het door belanghebbende met haar factoring-activiteiten gerealiseerde resultaat – meer specifiek: het Reference Rate onderdeel daarvan – kwalificeert als rentebaten ter zake van geldleningen in de zin van artikel 15b, lid 2, Wet Vpb. Bij ontkennende beantwoording is de vraag aan de orde of het Reference Rate onderdeel toch als rentebate in aanmerking moet worden genomen omdat Nederland de ATAD 1-Richtlijn onjuist zou hebben geïmplementeerd. Het hof oordeelt dat tussen belanghebbende en de groepsvennootschappen geen sprake is van een overeenkomst van geldlening. Voorts oordeelt het hof dat op de handelsvorderingen geen rente wordt betaald indien binnen 90 dagen wordt betaald, hetgeen hier het geval is. Van een rentebate voor het bepalen van het rentesurplus is dan ook geen sprake. Volgens het hof wordt in de definities van artikel 2 van de ATAD 1-Richtlijn verwezen naar het nationale recht. Reeds om die reden kan van een te beperkte implementatie geen sprake zijn.
Kern van de zaak
Een BV maakte bezwaar en beroep tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2019, inclusief de beschikking inzake het voort te wentelen saldo aan earningsstrippingrenten (art. 15b Wet Vpb) en belastingrente. Zowel de inspecteur als de rechtbank verklaarden het beroep ongegrond, waarna de BV hoger beroep instelde bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Beslissing van de rechter
Het hof heeft uitspraak gedaan op het hoger beroep van de BV, maar de volledige beslissingstekst ontbreekt in de aangeleverde uitspraak. Op basis van de procesgang is de uitkomst onzeker; de tekst breekt af vóór de inhoudelijke beslissing van het hof.
Impactscore
LaagDe zaak betreft een individueel belastinggeschil over de aanslag vennootschapsbelasting 2019 bij één BV; zonder de volledige motivering van het hof is bredere precedentwerking niet vast te stellen, en de impact blijft vooralsnog beperkt tot de direct betrokken partijen.
Belangrijkste punten
- 1Geschil betreft aanslag vennootschapsbelasting 2019 en beschikking voort te wentelen rentesaldo ex art. 15b Wet Vpb (earningsstripping).
- 2Bezwaar en beroep bij rechtbank Zeeland-West-Brabant werden beide ongegrond verklaard.
- 3Belanghebbende stelde hoger beroep in bij Gerechtshof 's-Hertogenbosch (zaaknr. 24/659).
- 4De volledige inhoudelijke overwegingen en beslissing van het hof ontbreken in de beschikbaar gestelde tekst.
- 5Cassatieberoep bij de Hoge Raad staat open binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak betreft de toepassing van de earningsstrippingmaatregel (art. 15b Wet Vpb), een relevante bepaling voor renteaftrekbeperking in de vennootschapsbelasting; de juridische impact kan niet volledig worden beoordeeld omdat de inhoudelijke motivering van het hof ontbreekt.
Praktische impact
Voor de betrokken BV heeft de uitspraak directe financiële gevolgen ten aanzien van de verschuldigde vennootschapsbelasting 2019 en de verrekenbare rentebedragen; de exacte uitkomst is op basis van de beschikbare tekst niet vast te stellen.
Onderwerp-impact
Zaken over de earningsstrippingmaatregel zijn relevant voor (internationale) concernfinancieringsstructuren; een definitieve uitspraak in hoger beroep kan richting geven aan de toepassing van art. 15b Wet Vpb in vergelijkbare situaties.
Samenvatting
Deze zaak betreft het hoger beroep van een besloten vennootschap tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 april 2024, waarbij het beroep tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2019 ongegrond was verklaard. De geschilpunten betreffen naast de aanslag zelf ook de beschikking inzake het voort te wentelen saldo aan renten als bedoeld in artikel 15b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 — de zogenoemde earningsstrippingmaatregel — en een beschikking belastingrente. De inspecteur had het bezwaar van de BV eerder ongegrond verklaard, en de rechtbank sloot zich daarbij aan. Belanghebbende legde de zaak vervolgens voor aan het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, dat op 22 april 2026 uitspraak deed. De zitting vond plaats op 20 maart 2026, waarbij beide partijen uitgebreid zijn vertegenwoordigd en pleitnota's hebben overgelegd. Helaas is de aangeleverde uitspraaktekst onvolledig: de inhoudelijke overwegingen en de uiteindelijke beslissing van het hof ontbreken. Daardoor kan niet worden vastgesteld of het hoger beroep gegrond of ongegrond is verklaard, noch welke juridische redenering het hof heeft gehanteerd bij de beoordeling van de earningsstrippingproblematiek. Wel staat vast dat cassatieberoep bij de Hoge Raad openstaat binnen zes weken na de verzenddatum. Gelet op het ontbreken van de inhoudelijke motivering, dient bij de verdere duiding van deze uitspraak voorbehoud te worden gemaakt. De earningsstrippingmaatregel van artikel 15b Wet Vpb is een complex en praktisch relevant leerstuk voor concerns met intragroepsfinancieringen, waardoor een uitgesproken oordeel van het hof in beginsel van belang kan zijn voor de rechtspraktijk.