Bewindvoerder krijgt geen extra beloning voor verhuisbegeleiding
ECLI:NL:GHSHE:2025:2330, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-08-2025, 200.351.648_01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Afwijzing primair verzoek stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Niet voldaan aan de daarvoor in artikel 392 lid 1 Rv genoemde voorwaarden. Afwijzing subsidiair verzoek om extra beloning i.v.m. verhuizing van rechthebbende op grond van artikel 3, vijfde lid, onder b van de Regeling. Verzoek onvoldoende onderbouwd dat bewindvoerder ander dan administratieve werkzaamheden in het kader van de verhuizing van de rechthebbende heeft verricht.
Kern van de zaak
Bewindvoerder [de bewindvoerder] verzocht de kantonrechter toestemming voor een extra beloning van € 388,- (excl. btw) voor administratieve begeleiding van de verhuizing van de rechthebbende, op grond van artikel 3 lid 5 onder b van de Regeling beloningen bewindvoerders. De kantonrechter wees dit verzoek af, waarop de bewindvoerder in hoger beroep ging bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Beslissing van de rechter
Het hof behandelt het hoger beroep van de bewindvoerder tegen de afwijzing van het verzoek tot extra beloning voor verhuisbegeleiding; tevens is een primair verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de uitleg van de Regeling beoordeeld. De beschikbare tekst is onvolledig, waardoor de definitieve uitkomst van het hoger beroep en het prejudiciële verzoek niet met zekerheid kan worden vastgesteld.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele beloningskwestie van een bewindvoerder met een bescheiden financieel belang (€ 388,-); de potentiële richtinggevende werking hangt af van de vraag of prejudiciële vragen worden gesteld, wat uit de beschikbare tekst niet kan worden vastgesteld.
Belangrijkste punten
- 1Bewindvoerder verzoekt extra beloning van € 388,- excl. btw voor verhuisbegeleiding op grond van art. 3 lid 5 onder b Regeling beloningen bewindvoerders
- 2Kantonrechter wees het verzoek in eerste aanleg af
- 3Bewindvoerder stelt dat er praktijkverschillen bestaan tussen kantonrechters en hoven bij de toepassing van de Regeling
- 4Primair verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over uitleg van de Regeling
- 5De uitspraaktekst is onvolledig; de definitieve beslissing van het hof is niet volledig weergegeven
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak raakt aan de uitleg van de Regeling beloningen bewindvoerders (art. 3 lid 5 onder b) en signaleert praktijkverschillen in de rechtspraak over de toekenning van extra beloning bij verhuizingen van rechthebbenden; een eventuele prejudiciële beslissing zou rechtseenheid kunnen bewerkstelligen.
Praktische impact
Voor bewindvoerders is onduidelijkheid over de vergoeding bij verhuisbegeleiding financieel relevant; een eenduidig antwoord op de vraag wanneer de extra beloning toewijsbaar is, geeft hen meer rechtszekerheid bij het declareren van bijzondere werkzaamheden.
Onderwerp-impact
In de zorgsector en ondersteuningsdiensten voor mensen met een lichamelijke of geestelijke beperking zorgt de uitkomst voor duidelijkheid over de vergoedingsstructuur van professionele bewindvoerders bij bijzondere beheershandelingen.
Samenvatting
Bij beschikking van 2 mei 2017 werd over de goederen van een rechthebbende een bewind ingesteld vanwege diens lichamelijke of geestelijke toestand. Na een wisseling van bewindvoerder in 2018 trad de huidige bewindvoerder aan. In november 2024 begeleidde de bewindvoerder de verhuizing van de rechthebbende en verzocht daarop bij de kantonrechter toestemming voor een extra beloning van € 388,- exclusief btw, gebaseerd op artikel 3 lid 5 onder b van de Regeling beloningen bewindvoerders. Deze bepaling voorziet in een aanvullende verhuisbeloning naast de jaarbeloning, mits er geen mentor is aangesteld. De kantonrechter wees het verzoek af, waarna de bewindvoerder hoger beroep instelde bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. De bewindvoerder bracht naar voren dat er aanzienlijke praktijkverschillen bestaan tussen kantonrechters en gerechtshoven bij de toepassing van de Regeling en verzocht het hof primair om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad teneinde de uitleg van de Regeling te verduidelijken en rechtseenheid te bewerkstelligen. Het hof is overgegaan tot inhoudelijke beoordeling van zowel het primaire verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen als het hoger beroep tegen de afwijzing van de extra beloning. De beschikbare uitspraaktekst is echter onvolledig: de motivering en de uiteindelijke beslissing van het hof zijn afgekapt, waardoor niet met zekerheid kan worden vastgesteld of het hof het verzoek heeft toegewezen, afgewezen of prejudiciële vragen heeft geformuleerd. De zaak is juridisch relevant omdat zij de uitleg van de Regeling beloningen bewindvoerders aan de orde stelt en aantoont dat er behoefte bestaat aan uniforme toepassing in de rechtspraktijk.