Wrakingsverzoek na afwijzing uitstel belastingzaak verworpen
ECLI:NL:GHDHA:2026:2891, Gerechtshof Den Haag, 06-08-2026, 200.371.257/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Nummer hoofdzaak: BK-25/484. Wrakingsverzoek afgewezen
Kern van de zaak
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen raadsheren van het Gerechtshof Den Haag nadat het hof haar tweede verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling had afgewezen. Zij stelde dat zij zonder bepaalde geheimgehouden stukken (strategisch overleg over haar fiscale en strafzaak) haar zaak niet behoorlijk kon voorbereiden. Het hof weigerde het uitstel, waarna verzoekster de raadsheren en griffier wraakte wegens schending van haar recht op een eerlijk proces.
Beslissing van de rechter
Het wrakingsverzoek is ongegrond verklaard. De wrakingskamer oordeelde dat de afwijzing van het uitstelverzoek niet zo onbegrijpelijk was dat daaruit een zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid van de raadsheren kon worden afgeleid, mede omdat het hof had toegezegd de relevante kwesties ter zitting of in de uitspraak te bespreken.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard wrakingsbeslissing die de gevestigde jurisprudentie over de wrakingsnorm bevestigt zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden. De relevantie is vooral beperkt tot de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Wraking is slechts gegrond bij feiten of omstandigheden die objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid opleveren (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).
- 2Een afwijzing van een uitstelverzoek levert op zichzelf geen grond voor wraking op, tenzij de beslissing zo onbegrijpelijk is dat zij een zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid vormt.
- 3Verzoekster kon nog niet beschikken over geheimgehouden stukken (strategisch overleg fiscale en strafzaak) die zij als essentieel beschouwde voor haar verdediging.
- 4Het hof had toegezegd de uitkomst van het hoger beroep in de strafzaak en de mogelijke invloed daarvan ter zitting te bespreken, hetgeen bijdroeg aan het oordeel dat geen sprake was van vooringenomenheid.
- 5De wrakingskamer heeft het verzoek zonder zitting afgedaan op grond van artikel 4 lid 1 onderdeel a van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat processuele beslissingen zoals de afwijzing van een uitstelverzoek in beginsel geen grond voor wraking opleveren, tenzij deze beslissingen evident onbegrijpelijk zijn. De lat voor het aantonen van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid blijft hoog.
Praktische impact
Voor verzoekster betekent dit dat de mondelinge behandeling van de onderliggende zaak doorgang kan vinden zonder dat zij eerst de beschikking krijgt over de gevraagde geheimgehouden stukken. Haar procesvoering wordt daardoor bemoeilijkt, hoewel het hof heeft toegezegd de strafzaakgerelateerde kwesties inhoudelijk te bespreken.
Onderwerp-impact
In belasting- en fraudegerelateerde procedures waarbij straf- en fiscale trajecten parallel lopen, benadrukt deze uitspraak dat toegang tot geheimgehouden stukken niet via een wrakingsprocedure kan worden afgedwongen; daarvoor bestaan andere procesrechtelijke wegen.
Samenvatting
In deze procedure bij het Gerechtshof Den Haag staat een wrakingsverzoek centraal dat verzoekster indiende nadat het hof haar tweede verzoek om aanhouding van de mondelinge behandeling had afgewezen. De achtergrond van de zaak is een samenloop van een fiscale procedure en een strafrechtelijk traject. Verzoekster meende dat zij bepaalde stukken — aangeduid als strategisch overleg waarin de fiscale en strafzaak waren besproken en die eerder als geheimhoudingsstukken waren aangemerkt — nodig had om haar standpunt behoorlijk te kunnen onderbouwen. Toen het hof op 6 juli 2026 het uitstelverzoek afwees, wraakte verzoekster diezelfde avond de betrokken raadsheren en griffier wegens schending van haar recht op een eerlijk proces en het ontbreken van een deugdelijke motivering. De wrakingskamer toetste het verzoek aan de vaste maatstaf: wraking is gegrond indien feiten of omstandigheden aanwezig zijn die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechter wettigen. Daarbij geldt dat een rechterlijke beslissing — ook een processuele — in beginsel geen grond voor wraking oplevert, tenzij zij zo onbegrijpelijk is dat zij een zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid vormt (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). De wrakingskamer oordeelde dat de afwijzing van het uitstelverzoek deze drempel niet haalt. Het hof had immers niet alleen het verzoek afgewezen, maar ook uitdrukkelijk toegezegd dat de uitkomst van het hoger beroep in de strafzaak en de mogelijke invloed daarvan ter zitting zouden worden besproken en dat de motivering ter zitting of in de uitspraak zou worden gegeven. Dit toezeggingselement ontnam aan de afwijzing het karakter van een onbegrijpelijke of willekeurige beslissing. De raadsheren berustten niet in de wraking, maar de wrakingskamer deed het verzoek zonder verdere zitting af en verklaarde het ongegrond. Voor verzoekster betekent dit dat zij de mondelinge behandeling moet doorgaan zonder de door haar gewenste stukken, al blijft de mogelijkheid bestaan om via andere procesrechtelijke wegen alsnog toegang tot die stukken te vorderen.