Hoger beroep BPM-belastingplichtige ongegrond wegens bewijslast taxatierapport
ECLI:NL:GHDHA:2026:2794, Gerechtshof Den Haag, 05-08-2026, BK-25/624
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 10 Wet bpm. Art. 8 Uitvoeringsregeling bpm. Art. 110 VWEU. Belanghebbende draagt de bewijslast dat de auto ten tijde van RDW-keuring in dezelfde staat verkeerde als ten tijde van de taxatie door haar taxateur. Taxatiemethode niet van toepassing vanwege essentiële gebreken. Bij essentiële gebreken kan de taxatiemethode zonder bewijs over soortgelijke voertuigen die in Nederland rijden niet worden toegepast op grond van eerder beleid.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige heeft bezwaar gemaakt tegen een BPM-aanslag en stelt recht te hebben op een vermindering op basis van een taxatierapport. De inspecteur betwist de geldigheid van het taxatierapport omdat de staat van de auto ten tijde van de fysieke opname mogelijk niet overeenkwam met de staat bij de RDW-keuring. De zaak draait om de vraag wie de bewijslast draagt voor de ongewijzigde staat van de auto.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard. Het Hof oordeelt dat een redelijke bewijslastverdeling meebrengt dat de belastingplichtige die aanspraak maakt op een belastingvermindering de daarvoor benodigde feiten aannemelijk moet maken, en dat artikel 110 VWEU zich hier niet tegen verzet.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad over BPM-bewijslastverdeling en voegt geen nieuwe rechtsnormen toe; het betreft een feitelijke toepassing van bekende regels in een individuele BPM-zaak.
Belangrijkste punten
- 1De bewijslast voor een BPM-vermindering via de taxatiemethode rust op de belastingplichtige die de vermindering claimt.
- 2Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling, mits de belastingplichtige voldoende gelegenheid krijgt bewijs te leveren.
- 3Op grond van artikel 8 lid 4 sub b Uitvoeringsregeling moet de staat van de auto ten tijde van het afschrijvingsmoment gelijk zijn aan de staat bij de fysieke opname door de taxateur.
- 4De fysieke opname door de taxateur moet plaatsvinden ten hoogste één maand vóór het afschrijvingsmoment.
- 5De aanslag is gehandhaafd op € 4.248, nu belanghebbende er niet in slaagde de vereiste staat van de auto aannemelijk te maken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de geldende bewijslastverdeling bij BPM-taxatiemethode en verduidelijkt dat het EU-recht (artikel 110 VWEU) deze nationale bewijslastregel niet doorkruist, zolang de belastingplichtige voldoende mogelijkheid krijgt bewijs aan te dragen.
Praktische impact
Belastingplichtigen die de taxatiemethode gebruiken voor BPM-vermindering moeten zorgvuldig documenteren dat de auto bij de fysieke opname in dezelfde staat verkeert als bij de RDW-keuring, om het benodigde bewijs te kunnen leveren.
Onderwerp-impact
Voor de automobielbranche en importeurs die met BPM-procedures te maken hebben, benadrukt dit arrest het belang van consistente en gedocumenteerde taxatierapportage die aansluit bij de wettelijke vereisten van de Uitvoeringsregeling.
Samenvatting
In deze BPM-zaak voor het Gerechtshof Den Haag stond de vraag centraal wie de bewijslast draagt voor de stelling dat een auto bij de RDW-keuring in dezelfde staat verkeerde als bij de fysieke opname door een taxateur, in het kader van een aanspraak op BPM-vermindering via de taxatiemethode. De belastingplichtige had een taxatierapport overgelegd waaruit bleek dat de auto op het moment van de opname essentiële gebreken vertoonde, maar stelde dat de Rechtbank ten onrechte de bewijslast bij hem had gelegd om te bewijzen dat de staat bij de RDW-keuring identiek was aan die bij de taxatie. Het Hof stelt voorop dat een redelijke bewijslastverdeling meebrengt dat degene die aanspraak maakt op een belastingvermindering de daartoe benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Artikel 110 van het VWEU staat aan deze verdeling niet in de weg, mits de belastingplichtige voldoende gelegenheid krijgt het benodigde bewijs te leveren, zoals de Hoge Raad heeft bevestigd in arresten uit januari en februari 2020. Op grond van artikel 8 lid 4 sub b van de Uitvoeringsregeling is de taxatiemethode alleen toepasbaar als de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste één maand vóór het afschrijvingsmoment, én de staat van de auto op dat moment gelijk is aan de staat bij de taxatie. Nu de belastingplichtige er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de auto bij de RDW-keuring in dezelfde toestand verkeerde als bij de fysieke opname, heeft het Hof het hoger beroep ongegrond verklaard en de aanslag van € 4.248 gehandhaafd. De uitspraak bevestigt de bestaande lijn in de BPM-jurisprudentie zonder nieuwe rechtsregels te stellen.