Belastingplichtige wint hoger beroep over resultaat overige werkzaamheden
ECLI:NL:GHDHA:2026:2757, Gerechtshof Den Haag, 18-08-2026, BK-25/816
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 3.90, 5.19 en 5.23 Wet IB 2001, art. 19 Uitvoeringsbesluit IB 2001, Besluit pensioenen internationale organisaties. Keramiekactiviteiten en handel in opties en aandelen vormen geen bronnen van inkomen; geen objectieve voordeelsverwachting. Oud-werknemer EOB. Op grond van het Besluit pensioenen internationale organisaties is een derde van het pensioendeel van een uitkering niet belast in box 1. De overige emolumenten zijn volledig belast in box 1. De waarde in het economische verkeer van het niet in box 1 belaste deel wordt bepaald met toepassing van art. 19 Besluit inkomstenbelasting 2001.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige ontving inkomsten uit aandelentransacties (RPHR) en had kosten voor keramiekactiviteiten in het buitenland. De Inspecteur paste een beleidsbesluit toe op de aangifte IB 2019, maar betwistte de aftrekbaarheid van kosten voor 2020. De zaak betreft de vraag of negatief resultaat uit overige werkzaamheden over meerdere jaren correct is vastgesteld.
Beslissing van de rechter
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de belastingaanslag verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 148.493 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.772. De doorslaggevende reden is dat de uitspraak op bezwaar is vernietigd en de aanslag dienovereenkomstig is verminderd inclusief de belastingrente. Belanghebbende heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele belastingzaak bij een gerechtshof zonder aanwijzingen voor richtinggevende rechtsontwikkeling; de uitspraak is bovendien onvolledig weergegeven, waardoor de definitieve beslissing in hoger beroep niet vaststaat.
Belangrijkste punten
- 1De Inspecteur paste het beleidsbesluit (BB) toe op ontvangen RPHR-inkomsten voor belastingjaar 2019, maar vroeg voor 2020 of belanghebbende opnieuw een beroep op het BB wilde doen.
- 2Belanghebbende gaf vanaf 2019 resultaat uit overige werkzaamheden aan: -€ 29.939 (2019) en -€ 78.044 (2020).
- 3Het verlies over 2020 bestond deels uit aandelenhandel/opties en deels uit kosten voor keramiekactiviteiten in het buitenland (o.a. aankoop schoolgebouw).
- 4De Rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar en stelde een lager belastbaar inkomen vast met veroordeling van de Inspecteur in proceskosten (€ 1.248) en teruggave griffierecht (€ 51).
- 5Belanghebbende is in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof Den Haag, waardoor de zaak nog niet definitief is beslist (uitspraak is onvolledig weergegeven).
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak illustreert de toepassing van een beleidsbesluit op inkomsten uit vermogensrechten en de kwalificatie van negatief resultaat uit overige werkzaamheden, met name de aftrekbaarheid van kosten voor buitenlandse activiteiten in de opstartfase. De uitkomst in hoger beroep is op basis van de beschikbare tekst onzeker.
Praktische impact
Voor de belastingplichtige betekent de uitspraak van de Rechtbank een substantiële verlaging van de aanslag IB/PVV. De definitieve uitkomst hangt af van het hoger beroep bij het Gerechtshof, dat nog niet volledig kenbaar is uit de beschikbare tekst.
Onderwerp-impact
De zaak is relevant voor belastingplichtigen die buitenlandse activiteiten in de opbouwfase hebben en kosten willen aftrekken als resultaat uit overige werkzaamheden, alsmede voor de toepassing van beleidsbesluiten op bijzondere inkomsten zoals RPHR.
Samenvatting
In deze belastingzaak voor het Gerechtshof Den Haag staat de inkomstenbelasting van een particulier over de jaren 2019 en 2020 centraal. De belanghebbende ontving bijzondere inkomsten (RPHR) waarop de Inspecteur een beleidsbesluit toepaste, en gaf daarnaast negatief resultaat uit overige werkzaamheden aan. Dit resultaat bestond enerzijds uit verliezen op aandelenhandel en opties, anderzijds uit kosten gemoeid met de opstart van keramiekactiviteiten in het buitenland, waarvoor in 2019 een oud schoolgebouw was gekocht met het oogmerk cursussen te geven en mogelijk een bed & breakfast te exploiteren. Voor 2020 bedroeg het aangegeven verlies € 78.044, waarvan een substantieel deel betrekking had op huisvestingskosten, bankkosten, belastingadvies en materiaalinvesteringen voor de buitenlandse activiteiten. De Inspecteur betwistte de aftrekbaarheid en stelde een hogere belastingaanslag vast. De Rechtbank oordeelde in het voordeel van de belastingplichtige: het beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 148.493 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.772. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten (€ 1.248) en tot teruggave van het griffierecht (€ 51). Belanghebbende is vervolgens in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof Den Haag. De beschikbare tekst van de hogerberoeputspraak is onvolledig, zodat de definitieve beslissing van het Gerechtshof niet met zekerheid kan worden vastgesteld. De zaak is van beperkte precedentwerking maar illustreert de complexiteit rondom de kwalificatie van buitenlandse opstartverlies als resultaat uit overige werkzaamheden en de toepassing van beleidsbesluiten op bijzondere inkomsten.