Hoorplicht niet geschonden door eigen toedoen belastingplichtige
ECLI:NL:GHDHA:2026:2349, Gerechtshof Den Haag, 18-06-2026, BK-25/795
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 7:2, lid 1 Awb; art. 6.32, 6.33, lid 1, onderdelen a en b, 6.35, 6.38 Wet IB 2001. Geen schending hoorplicht en inzagerecht. Uitspraak op bezwaar niet prematuur. Geen aftrek specifieke zorgkosten. Geen giftenaftrek wegens intrekking ANBI-status en kwade trouw. Aanslag IB/PVV 2021 terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Geen toekenning vergoeding van immateriële schade.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige stelt in hoger beroep dat de Inspecteur de hoorplicht en het inzagerecht in de bezwaarfase heeft geschonden bij de behandeling van zijn aanslag inkomstenbelasting (aftrek specifieke zorgkosten en giftenaftrek). De belastingplichtige had zelf de Inspecteur bij brief van 25 oktober 2024 in gebreke gesteld om binnen veertien dagen uitspraak op bezwaar te doen.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; het Hof Den Haag bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. De doorslaggevende reden is dat de belastingplichtige door zijn eigen ingebrekestelling de korte doorlooptijd heeft veroorzaakt, zodat het niet tijdig toezenden van de uitnodiging voor de hoorzitting voor zijn eigen rekening en risico komt.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande rechtspraak toe over de hoorplicht in bezwaar en eigen toedoen van de belastingplichtige; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de zaak is feitelijk van aard met beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Belastingplichtige stelde Inspecteur zelf in gebreke om binnen 14 dagen uitspraak op bezwaar te doen, waardoor de korte termijn aan hemzelf te wijten is
- 2Er heeft wel degelijk een hoorgesprek plaatsgevonden (telefonisch), op initiatief van de belastingplichtige zelf in die vorm
- 3Aangetekend verzonden brieven van 31 oktober en 4 november 2024 zijn aantoonbaar in ontvangst genomen, zodat betwisting van ontvangst faalt
- 4Belastingplichtige is gewezen op zijn inzagerecht maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt en hierover niets opgemerkt tijdens het hoorgesprek
- 5Geen nadere onderbouwing van de aftrekposten verstrekt ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een belastingplichtige die zelf de Inspecteur in gebreke stelt om snel uitspraak op bezwaar te doen, zich achteraf niet met succes kan beroepen op schending van de hoorplicht wegens onvoldoende aankondigingstermijn. Dit is een toepassing van het beginsel dat men niet kan profiteren van een situatie die men zelf heeft veroorzaakt.
Praktische impact
Belastingplichtigen die een ingebrekestelling sturen om de Inspecteur te dwingen snel uitspraak te doen, riskeren dat procedurele waarborgen (zoals de tien-dagentermijn voor de hoorzitting) niet volledig kunnen worden nageleefd, met als gevolg dat zij deze procedurele onregelmatigheid niet aan de Inspecteur kunnen tegenwerpen.
Onderwerp-impact
Voor belastingzaken met aftrekposten zoals zorgkosten en giften geldt dat een belastingplichtige tijdig en volledig bewijs moet aanleveren; het niet benutten van geboden mogelijkheden tot onderbouwing komt voor eigen rekening.
Samenvatting
In deze belastingzaak voor het Gerechtshof Den Haag stond centraal de vraag of de Inspecteur in de bezwaarfase de hoorplicht en het inzagerecht had geschonden bij de behandeling van een aanslag inkomstenbelasting waarbij aftrek van specifieke zorgkosten en giftenaftrek in geschil waren. De belastingplichtige betoogde primair dat de uitnodiging voor de hoorzitting niet tijdig was verzonden en dat hij niet adequaat in de gelegenheid was gesteld zijn standpunt toe te lichten. Het Hof verwierp dit betoog. Doorslaggevend was dat de belastingplichtige op 25 oktober 2024 zelf een ingebrekestelling had gestuurd, waarin hij de Inspecteur sommeerde binnen veertien dagen uitspraak op bezwaar te doen. Door deze zelfopgelegde tijdsdruk kon de belastingplichtige de Inspecteur niet verwijten dat de uitnodiging voor de hoorzitting niet tien dagen voor de uitspraak was verzonden. Het risico van de korte termijn lag daarmee bij de belastingplichtige zelf. Daarnaast stond vast dat er wél een hoorgesprek had plaatsgevonden — telefonisch, op initiatief van de belastingplichtige — en dat tijdens dit gesprek de aftrekposten inhoudelijk zijn besproken. De belastingplichtige werd in de gelegenheid gesteld een nadere onderbouwing te verstrekken, maar gaf daaraan geen gevolg. Het inzagerecht was vermeld in de aangetekend verzonden brieven die aantoonbaar waren ontvangen; de belastingplichtige had hiervan geen gebruik gemaakt en had hierover tijdens het hoorgesprek ook niets opgemerkt. Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De uitspraak illustreert dat procedurele waarborgen in de bezwaarprocedure in onderlinge samenhang worden beoordeeld, en dat een belastingplichtige die door eigen handelen de procedure versnelt, de gevolgen daarvan niet op de Inspecteur kan afwentelen.