JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:2346Middel38/100

Termijnoverschrijding belastingverzoek verschoonbaar wegens persoonlijke omstandigheden

ECLI:NL:GHDHA:2026:2346, Gerechtshof Den Haag, 02-06-2026, BK-25/638 tot en met BK-25/643

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 2 juni 2026Publicatie: 20 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BK-25/638 tot en met BK-25/643
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Inkomstenbelasting
Vijfjaarstermijn
Ambtshalve Vermindering
Verschoonbare Termijnoverschrijding
Persoonlijke Omstandigheden

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Art. 9.6 Wet IB 2001 en 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001. Art. 6:11 Awb. Toepassing toets uit arrest Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515. Verzoek om ambtshalve vermindering van aanslagen. Overschrijding van vijfjaarstermijn verschoonbaar wegens ernstige persoonlijke omstandigheden.

Kern van de zaak

Belanghebbende verzocht de Belastingdienst ambtshalve vermindering van aanslagen inkomstenbelasting over 2013, 2014 en 2016. Het verzoek werd ingediend in augustus 2023, ruim na het verstrijken van de wettelijke vijfjaarstermijn. De Inspecteur wees de verzoeken af; de Rechtbank bevestigde dit, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.

Beslissing van de rechter

Het Gerechtshof Den Haag oordeelt dat de overschrijding van de vijfjaarstermijn verschoonbaar is. De doorslaggevende reden is dat belanghebbende door ernstige persoonlijke omstandigheden – waaronder stress, schulden, complexe familiesituatie en het uitblijven van invorderingsmaatregelen tot 2023 – in redelijkheid niet eerder actie kon worden verwacht.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak past bestaande rechtspraak (HR 2019) toe op feitelijk bijzondere omstandigheden en voegt geen nieuwe rechtsregel toe, maar biedt wel een praktisch relevant precedent voor de verschoonbaarheidstoets bij belastingtermijnen.

Belangrijkste punten

  • 1De vijfjaarstermijn ex artikel 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001 voor ambtshalve vermindering was bij indiening (augustus 2023) overschreden voor alle drie belastingjaren (2013, 2014 en 2016).
  • 2Op grond van artikel 60 AWR jo. artikel 6:11 Awb kan een termijnoverschrijding verschoonbaar zijn indien redelijkerwijs geen actie van de verzoeker kon worden verwacht.
  • 3Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende door stress volledig blokkeert en zich pas bewust werd van een actiepunt na aankondiging van loonbeslag in april 2023.
  • 4Het uitblijven van invordering tot 2023 droeg bij aan het oordeel dat belanghebbende niet tijdig actie kon worden verwacht ten aanzien van oude aanslagen.
  • 5De omstandigheid dat belanghebbende op andere terreinen wel acties heeft ondernomen, wordt hem niet tegengeworpen.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt dat de verschoonbaarheidstoets van artikel 6:11 Awb – via artikel 60 AWR – ook bij ambtshalve verminderingsverzoeken in belastingzaken ruimhartig kan worden toegepast wanneer psychische en persoonlijke omstandigheden structurele handelingsonbekwaamheid veroorzaken. Dit nuanceert de strikte hantering van de vijfjaarstermijn.

Praktische impact

Belastingplichtigen met ernstige persoonlijke of psychische problematiek die de vijfjaarstermijn voor ambtshalve vermindering hebben gemist, kunnen met dit arrest onderbouwen dat hun overschrijding verschoonbaar is, mits zij de omstandigheden voldoende aannemelijk maken.

Onderwerp-impact

Voor de uitvoeringspraktijk van de Belastingdienst betekent dit dat verzoeken om ambtshalve vermindering buiten de termijn niet zonder meer kunnen worden afgewezen wanneer de belastingplichtige aantoonbaar door persoonlijke omstandigheden was verhinderd tijdig te handelen.

Samenvatting

In deze zaak stond centraal of de overschrijding van de wettelijke vijfjaarstermijn voor een verzoek om ambtshalve vermindering van aanslagen inkomstenbelasting (jaren 2013, 2014 en 2016) verschoonbaar was. Belanghebbende diende zijn verzoek in augustus 2023 in, ruim na het verstrijken van de respectieve termijnen (eind 2018, 2019 en 2021). De Inspecteur en de Rechtbank oordeelden dat de overschrijding niet verschoonbaar was, omdat de persoonlijke omstandigheden – schulden en complexe familiesituatie – niet zodanig waren dat van belanghebbende of door hem in te schakelen hulp geen actie kon worden verwacht. Het Gerechtshof Den Haag komt tot een ander oordeel. Op grond van artikel 60 AWR is artikel 6:11 Awb van overeenkomstige toepassing op verzoeken om ambtshalve vermindering, zodat een termijnoverschrijding verschoonbaar kan zijn indien de verzoeker redelijkerwijs niet eerder kon handelen. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende onder hoge stress volledig blokkeert, waardoor tijdig optreden ten aanzien van oude belastingaanslagen in redelijkheid niet van hem kon worden verwacht. Daarbij weegt het Hof mee dat invordering uitbleef tot de aankondiging van een loonbeslag in april 2023, zodat belanghebbende zich vóór die datum feitelijk niet bewust was van een concreet actiepunt. De omstandigheid dat hij op andere terreinen wél handelde, doet hieraan niet af. Het Hof vernietigt daarmee impliciet de bevestiging door de Rechtbank en stelt de verschoonbaarheid vast. De uitspraak benadrukt dat de verschoonbaarheidstoets bij belastingtermijnen individueel en contextueel moet worden beoordeeld, waarbij psychische blokkade gecombineerd met feitelijk uitblijvende invorderingsdruk kan leiden tot erkenning van een verschoonbare termijnoverschrijding, ook bij aansienlijke vertragingen van meerdere jaren.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 28 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02999

Hoge Raad17 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1296Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1296, Hoge Raad, 17-07-2026, 23/03413

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1305Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1305, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/01917

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1244Hoog
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1244, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02706

Hoge Raad17 jul 2026OverheidHandhaving
58/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied