Beroep op vertrouwensbeginsel eigenwoningrente afgewezen
ECLI:NL:GHDHA:2026:2286, Gerechtshof Den Haag, 09-06-2026, BK-25/654
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Aanslag IB/PVV. Geen gewekt vertrouwen met betrekking tot aftrek eigenwoningrente.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) stelt dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, omdat in eerdere jaren (2019 en 2021) de aftrek van eigenwoningrente conform aangifte was gevolgd. De aanslag week af van de ingediende aangifte, waartegen belanghebbende in hoger beroep ging bij Gerechtshof Den Haag.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Doorslaggevend is dat het enkele feit dat de Inspecteur in eerdere jaren de aangifte op het punt van eigenwoningrente heeft gevolgd, onvoldoende is om gerechtvaardigd vertrouwen te ontlenen, nu niet is gebleken van omstandigheden die wijzen op een weloverwogen standpuntbepaling door de Inspecteur.
Impactscore
LaagDe uitspraak past naadloos in een vaste en uitvoerig onderbouwde jurisprudentielijn van de Hoge Raad en voegt geen nieuwe rechtsregels toe; de zaak is sterk feitelijk van aard en heeft beperkte precedentwerking buiten de individuele casus.
Belangrijkste punten
- 1Het vertrouwensbeginsel vereist meer dan het enkele volgen van aangiften over een aantal jaren; er moeten omstandigheden zijn die wijzen op een weloverwogen standpuntbepaling.
- 2De aangifte IB/PVV 2019 is niet handmatig behandeld en niet door het systeem uitgeworpen, zodat geen sprake was van bewuste beoordeling door de Inspecteur.
- 3Het Hof verwijst naar vaste Hoge Raad-rechtspraak (HR 1989, HR 2003, HR 2023) over de vereisten voor in rechte te beschermen vertrouwen.
- 4Een toezegging waarvan de belastingplichtige mocht menen dat zij ook voor het betreffende jaar geldt, was niet aanwezig.
- 5De uitspraak staat open voor beroep in cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste jurisprudentielijn dat automatisch volgen van aangiften door de Belastingdienst geen in rechte te beschermen vertrouwen wekt zonder nadere omstandigheden die duiden op een weloverwogen standpuntbepaling. Dit sluit aan bij HR 13 januari 2023 en eerdere arresten.
Praktische impact
Belastingplichtigen kunnen niet vertrouwen op het feit dat de Inspecteur in voorafgaande jaren de aangifte op een bepaald punt heeft gevolgd; zij blijven het risico dragen dat de Inspecteur in een later jaar alsnog corrigeert, tenzij sprake is van een expliciete toezegging of weloverwogen standpuntbepaling.
Onderwerp-impact
Voor de praktijk rondom eigenwoningrente-aftrek betekent dit dat belastingplichtigen die structureel rente in aftrek brengen zonder nadere correspondentie met de Inspecteur, geen vertrouwensbescherming genieten op basis van eerder gevolgde aangiften.
Samenvatting
In deze belastingzaak bij het Gerechtshof Den Haag stond de vraag centraal of een belastingplichtige zich met succes kon beroepen op het vertrouwensbeginsel om aftrek van eigenwoningrente in de aanslag IB/PVV 2020 af te dwingen. De belastingplichtige betoogde dat, omdat de Inspecteur in de jaren 2019 en 2021 zijn aangifte op het punt van eigenwoningrente ongewijzigd had gevolgd, hij erop mocht vertrouwen dat dit ook voor 2020 zou gelden. De aanslag week echter af van de aangifte, waarop belanghebbende eerst bij de Rechtbank en vervolgens in hoger beroep bezwaar maakte. Het Hof wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af. Het toetsingskader is helder: voor beschermd vertrouwen is vereist dat de belastingplichtige uit de gedragslijn van de Inspecteur redelijkerwijs heeft kunnen afleiden dat deze berust op een weloverwogen en bewuste standpuntbepaling. Het louter volgen van een aangifte over meerdere jaren is daarvoor onvoldoende, tenzij sprake is van een expliciete toezegging of andere bijzondere omstandigheden. Het Hof verwijst daarbij naar drie vaste Hoge Raad-arresten uit 1989, 2003 en 2023. In dit geval stond onweersproken vast dat de aangifte over 2019 niet handmatig was behandeld en niet door het systeem was uitgeworpen voor nadere controle. Er was dus geen sprake van een bewuste beoordeling van de eigenwoningrente-aftrek door de Inspecteur. Daarmee ontbreken de omstandigheden die een gerechtvaardigd vertrouwen zouden kunnen funderen. Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. De uitspraak is een routinematige toepassing van bestaande jurisprudentie en heeft als zodanig beperkte zelfstandige precedentwerking.