JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:2196Middel35/100

Hof beslist over waardering lijfrenteaanspraken box 3

ECLI:NL:GHDHA:2026:2196, Gerechtshof Den Haag, 30-06-2026, BK-25/488

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 30 juni 2026Publicatie: 6 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BK-25/488
Belastingrecht
Verzekering
Financiele Dienstverlening
Inkomstenbelasting
Box 3
Lijfrente
Waardering Ubib
Rendementsgrondslag

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Navorderingsaanslag IB/PVV 2016. Waardering lijfrenteaanspraken in box 3. Artikel 19 UBIB 2001; begrip “afhankelijk van het leven”. Belanghebbende en zijn dochters hebben ieder recht op levenslange periodieke uitkeringen vanaf moment overlijden langstlevende ouder van belanghebbende. Periodieke uitkering is afhankelijk van het leven van één persoon. Artikel 19, lid 3, UBIB is echter niet van toepassing omdat de ingangsdatum van de uitkeringen niet bij voorbaat vaststaat.

Kern van de zaak

Belanghebbende en de Belastingdienst zijn in geschil over de waardering van lijfrenteaanspraken in box 3 voor het jaar 2016. Belanghebbende stelt dat zijn lijfrenteaanspraak en die van zijn dochters gewaardeerd moeten worden conform specifieke bepalingen uit het Uitvoeringsbesluit Wet IB 2001. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de eerdere uitspraak van de Rechtbank.

Beslissing van de rechter

Het Gerechtshof Den Haag heeft uitspraak gedaan in hoger beroep over de waardering van lijfrenteaanspraken conform artikel 19, lid 3 en lid 7, UBIB. De doorslaggevende vraag betreft of de lijfrenteaanspraken van belanghebbende en zijn dochters mogen worden gewaardeerd op lagere bedragen dan de waarde in het economische verkeer door toepassing van de waarderingsregels uit het UBIB; de uitkomst van de beslissing is op basis van de beschikbare tekst niet volledig reproduceerbaar.

35van 100

Impactscore

Middel

De zaak betreft een technische belastingrechtelijke kwestie over waarderingsregels voor lijfrenten in box 3 met financieel belang, maar heeft beperkte precedentwerking zolang de Hoge Raad zich er niet over heeft uitgesproken; de beschikbare tekst is bovendien onvolledig.

Belangrijkste punten

  • 1Bezittingen en schulden worden in box 3 in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer (art. 5.19 lid 1 Wet IB 2001)
  • 2Aanvullende waarderingsregels voor periodieke uitkeringen/lijfrenten zijn neergelegd in art. 19 UBIB
  • 3In geschil is of art. 19 lid 3 UBIB (lijfrente afhankelijk van één leven, nog niet ingegaan) van toepassing is op de lijfrenteaanspraak van belanghebbende
  • 4Waardering lijfrenteaanspraken dochters staat eveneens ter discussie via art. 19 lid 7 jo. lid 3 UBIB
  • 5Belanghebbende gebruikte CBS-sterftetabellen en de tabel van art. 19 lid 2 UBIB voor berekening van de ingangsleeftijd

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van de speciale waarderingsregels voor lijfrenteaanspraken in het Uitvoeringsbesluit Wet IB 2001 ten opzichte van de hoofdregel van waardering in het economische verkeer. De beslissing is vatbaar voor cassatie bij de Hoge Raad.

Praktische impact

Voor belastingplichtigen met (nog niet ingegane) lijfrenteaanspraken in box 3 kan de keuze van de waarderingsmethode een aanzienlijk verschil maken in de rendementsgrondslag; in dit geval ging het om bedragen van circa 3,9 miljoen euro versus lagere UBIB-waarderingen.

Onderwerp-impact

De uitspraak raakt direct aan de wijze waarop financiële producten zoals lijfrenten worden gewaardeerd in de vermogensrendementsheffing, met gevolgen voor aanbieders en houders van dergelijke producten.

Samenvatting

In deze belastingzaak bij het Gerechtshof Den Haag staat de waardering van lijfrenteaanspraken in box 3 voor het jaar 2016 centraal. Belanghebbende heeft lijfrenteaanspraken die behoren tot zijn rendementsgrondslag. Over de waarde in het economische verkeer op peildatum 1 januari 2016 bestaat geen geschil tussen partijen. Het conflict betreft de vraag of gebruik mag worden gemaakt van de forfaitaire waarderingsregels uit het Uitvoeringsbesluit Wet IB 2001 (UBIB), in het bijzonder artikel 19 lid 3 UBIB voor de eigen lijfrenteaanspraak van belanghebbende en artikel 19 lid 7 jo. lid 3 UBIB voor de lijfrenteaanspraken van zijn twee dochters. Belanghebbende betoogt dat zijn lijfrenteaanspraak – die nog niet is ingegaan en afhankelijk is van één mannelijk leven – gewaardeerd dient te worden conform artikel 19 lid 3 UBIB, hetgeen leidt tot een waardering van circa 3,88 miljoen euro. Voor de aanspraken van de dochters – die uitkeren na het overlijden van de langstlevende ouder – hanteert hij sterftetabellen van CBS Statline en sluit hij aan bij de tabel van artikel 19 lid 2 UBIB, resulterend in waarderingen van circa 504.000 en 499.000 euro. De Rechtbank had in eerste aanleg anders geoordeeld, waarna belanghebbende in hoger beroep is gegaan. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof heeft op 30 juni 2026 uitspraak gedaan. De beschikbare tekst van de uitspraak is onvolledig, waardoor de precieze beslissing en de volledige motivering niet kunnen worden weergegeven. Wel staat vast dat cassatie mogelijk is bij de Hoge Raad. De zaak illustreert de complexiteit van de toepassing van forfaitaire waarderingsregels naast de hoofdregel van waarde in het economische verkeer in de vermogensrendementsheffing.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 5 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
35van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02999

Hoge Raad17 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1296Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1296, Hoge Raad, 17-07-2026, 23/03413

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1305Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1305, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/01917

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1244Hoog
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1244, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02706

Hoge Raad17 jul 2026OverheidHandhaving
58/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Rechtsgebieden