Naheffingsaanslag BPM gedeeltelijk vernietigd in hoger beroep
ECLI:NL:GHDHA:2026:2168, Gerechtshof Den Haag, 24-06-2026, BK-25/579
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Artikel 14a Wet BPM. De bpm is terecht nageheven, omdat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf. De auto’s waren al uitgevoerd naar landen buiten de EU/EER voordat de auto’s op een Duits kenteken werden ingeschreven. Discriminatieverbod. De uitvoer van auto’s naar landen binnen de EU/EER en de uitvoer naar landen buiten de EU/EER zijn rechtens geen vergelijkbare situaties. Er is dus geen sprake van een schending van het discriminatieverbod.
Kern van de zaak
Een belanghebbende vecht een naheffingsaanslag op grond van de Wet BPM aan bij het Gerechtshof Den Haag. In geschil is of de rechtbank de juiste wettekst heeft toegepast, of de naheffingsaanslag tot het juiste bedrag is opgelegd, en of sprake is van discriminatie in de zin van artikel 14 EVRM wegens ongerechtvaardigd onderscheid tussen export naar EU/EER-landen en derde landen.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep wordt beoordeeld; het verzoek tot aanhouding in afwachting van een Hoge Raad-uitspraak in een vergelijkbare zaak is afgewezen omdat de feiten verschillen. De rechtbank had eerder het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag gedeeltelijk vernietigd, maar het Hof buigt zich over de vraag of de juiste wettekst is toegepast en of de resterende aanslag terecht gehandhaafd is.
Impactscore
MiddelDe zaak betreft een specifiek belastingrechtelijk geschil over BPM bij export naar derde landen met een EVRM-dimensie, maar is beperkt tot een individuele naheffingsaanslag. De bredere precedentwerking is afhankelijk van de uitkomst en eventuele cassatie.
Belangrijkste punten
- 1Belanghebbende stelt dat de rechtbank de verkeerde wettekst (artikel 14a lid 1 Wet BPM) heeft toegepast bij haar beoordeling.
- 2Het verzoek tot aanhouding in afwachting van cassatie tegen een vergelijkbare uitspraak (ECLI:NL:GHARL:2026:1651) wordt afgewezen wegens feitelijke verschillen.
- 3Belanghebbende beroept zich op het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol wegens onderscheid tussen export naar EU/EER en derde landen.
- 4De rechtbank had de naheffingsaanslag gedeeltelijk vernietigd en immateriële schadevergoeding van €500 totaal (€250 van inspecteur en €250 van de Staat) toegewezen.
- 5De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep; de zaak is inhoudelijk nog in behandeling.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak raakt aan de toepassing van de Wet BPM bij export naar derde landen en de vraag of het Nederlandse systeem in strijd is met het EVRM-discriminatieverbod, wat relevantie heeft voor de uitleg van artikel 14a Wet BPM. De uitkomst kan van belang zijn voor vergelijkbare naheffingszaken in de BPM-exportpraktijk.
Praktische impact
Voor exporteurs van motorvoertuigen naar derde landen buiten de EU/EER is van belang of zij aanspraak kunnen maken op gelijkbehandeling met export naar EU/EER-landen bij de BPM-teruggaafregeling. Een eventuele gegrondverklaring zou leiden tot vernietiging of verdere vermindering van de naheffingsaanslag.
Onderwerp-impact
In de transport- en autosector is dit relevant voor bedrijven die voertuigen exporteren naar niet-EU-landen en geconfronteerd worden met BPM-naheffingen die zij als discriminatoir ervaren ten opzichte van export binnen de EU/EER.
Samenvatting
In deze belastingzaak bij het Gerechtshof Den Haag staat een naheffingsaanslag op grond van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen (Wet BPM) centraal. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank, waarbij die rechtbank het beroep weliswaar gedeeltelijk gegrond had verklaard maar de naheffingsaanslag grotendeels had gehandhaafd. Het geschil draait om drie juridische kernvragen: ten eerste of de rechtbank de juiste wettekst heeft gehanteerd bij haar beoordeling (meer specifiek artikel 14a lid 1 Wet BPM), ten tweede of de naheffingsaanslag na vermindering in bezwaar tot het juiste bedrag is vastgesteld, en ten derde of het Nederlandse BPM-systeem een ongeoorloofd onderscheid maakt tussen export naar EU- of EER-landen enerzijds en export naar derde landen anderzijds, in strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling had belanghebbende verzocht de zaak aan te houden in afwachting van een arrest van de Hoge Raad in een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:GHARL:2026:1651, waartegen de Staatssecretaris van Financiën cassatieberoep had ingesteld). Het Hof wees dit verzoek af, omdat de feiten in de onderhavige zaak afwijken van die in de Arnhem-Leeuwarden-zaak. De rechtbank had eerder immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen (in totaal €500, verdeeld over de inspecteur en de Staat) en de proceskosten vergoed. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot volledige vernietiging van de naheffingsaanslag en toekenning van proceskostenvergoeding zonder de korting van artikel 19a Wet BPM. De inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring. De inhoudelijke beoordeling door het Hof is in de beschikbare tekst nog niet volledig weergegeven.