Naheffingsaanslag BPM terecht opgelegd, beroep ongegrond
ECLI:NL:GHDHA:2026:2167, Gerechtshof Den Haag, 24-06-2026, BK-25/577
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 10 Wet Bpm. Art. 110 VWEU. Naheffingsaanslag bpm. Verdere waardevermindering wegens schade(verleden) niet aannemelijk gemaakt. Bij gebruik koerslijst geen onderscheid tussen fabrieksopties en standaard uitvoering.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (eiser/belanghebbende) betwist een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de Belastingdienst. In geschil is de handelsinkoopwaarde van een voertuig en de toegepaste waardevermindering wegens schade. Eiser beroept zich tevens op het vertrouwensbeginsel en een onjuiste herleidingsmethode.
Beslissing van de rechter
Het beroep is ongegrond verklaard; de naheffingsaanslag BPM is terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd. Doorslaggevend is dat de Belastingdienst terecht is uitgegaan van een uitgangswaarde in onbeschadigde staat van € 47.568 op basis van de Xray-koerslijst, en dat het taxatierapport van eiser onvoldoende onderbouwing biedt voor de gestelde waardevermindering. Wel wordt een vergoeding van € 500 immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Impactscore
LaagDe uitspraak is feitelijk van aard en past binnen bestaande jurisprudentie over BPM en de handelsinkoopwaarde; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de financiële belangen zijn beperkt.
Belangrijkste punten
- 1De naheffingsbevoegdheid (vijfjaarstermijn ex art. 20 lid 3 AWR) is niet overschreden.
- 2Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden: enkel tijdsverloop na schouw door DRZ rechtvaardigt geen gerechtvaardigd vertrouwen dat geen naheffing zou volgen.
- 3De door eiser bepleite herleidingsmethode voor de handelsinkoopwaarde wordt verworpen; de Belastingdienst hanteert terecht een uitgangswaarde van € 47.568.
- 4Het taxatierapport van eiser biedt onvoldoende houvast voor de gestelde waardevermindering wegens schade en schadeverleden.
- 5Wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt € 500 immateriële schadevergoeding toegekend aan eiser.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de lijn dat louter tijdsverloop na een DRZ-schouw geen schending van het vertrouwensbeginsel oplevert en dat taxatierapporten deugdelijk onderbouwd moeten zijn om een waardevermindering bij BPM te kunnen aantonen. De verwijzing naar ECLI:NL:GHDHA:2024:2333 en ECLI:NL:HR:2023:1526 sluit aan bij bestaande jurisprudentie over de bepaling van de handelsinkoopwaarde.
Praktische impact
Belastingplichtigen die een lagere BPM-afdracht nastreven via eigen taxaties moeten zorgen voor robuuste en consistente onderbouwing van schade en optiepakketten; een gebrekkig rapport wordt niet gevolgd. De toegekende immateriële schadevergoeding van € 500 biedt enige compensatie voor de lange doorlooptijd.
Onderwerp-impact
Voor de praktijk rondom voertuigbelasting (BPM) benadrukt deze uitspraak dat de Xray-koerslijst met het juiste optiepakket als vertrekpunt geldt en dat afwijkende taxaties concreet en consistent moeten zijn onderbouwd.
Samenvatting
In deze BPM-zaak voor het Gerechtshof Den Haag staat een naheffingsaanslag centraal die de Belastingdienst heeft opgelegd nadat een schouw door de Dienst Wegverkeer (DRZ) aanleiding gaf tot twijfel over de juistheid van de eerder afgedragen BPM. De belastingplichtige betwistte de naheffing op meerdere gronden: hij bepleitte een eigen herleidingsmethode voor de handelsinkoopwaarde, stelde dat zijn taxateur een grotere waardevermindering wegens schade en schadeverleden had vastgesteld, en beriep zich op het vertrouwensbeginsel omdat er geruime tijd was verstreken tussen de DRZ-schouw en het opleggen van de naheffingsaanslag. Het Hof, in navolging van de rechtbank, verwerpt alle inhoudelijke bezwaren. De naheffingsbevoegdheid is niet vervallen: de vijfjaarstermijn van artikel 20 lid 3 AWR was niet verstreken. Het vertrouwensbeginsel is evenmin geschonden: er bestaat geen beleid dat de Belastingdienst dwingt binnen een vaste termijn na de schouw een aanslag op te leggen, er zijn geen concrete toezeggingen gedaan, en het enkele tijdsverloop volstaat niet om een gerechtvaardigd vertrouwen te wekken dat geen naheffing zou volgen. Op het punt van de waardebepaling volgt het Hof de Belastingdienst. De taxateur en DRZ hanteerden verschillende Xray-koerslijstwaarden doordat zij van uiteenlopende optiepakketten uitgingen; de Belastingdienst heeft gemotiveerd onderbouwd het juiste pakket te hebben gehanteerd, resulterend in een uitgangswaarde van € 47.568. Het taxatierapport van eiser biedt bovendien onvoldoende houvast voor de gestelde waardevermindering wegens schade en schadeverleden, waardoor de kleinere waardevermindering die de Belastingdienst heeft gehanteerd in stand blijft. De naheffingsaanslag is daarmee terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd; het beroep is ongegrond. Wel kent het Hof een vergoeding van € 500 immateriële schade toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld; de mondelinge behandeling bij het Hof heeft plaatsgevonden.